Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

gen. Zij hadden het in den grond eens kunnen zijn, behoudens de geschiktheid en toepassing van het Nederlandsch in klassieke rijmlooze maten. Voor de gewone inheemsche versvorming hadden zij een ruimer en juister meening in zwang kunnen brengen. Thans echter deed Bilderdijk of hij van Kinker nooit gehoord had, en deze beschuldigde daartegen den ander van kortzichtigheid en plagiaat. Beiden kennen dat eerste hoofdvereischte voor een juist inzicht: dat het geheel van een vers of van eenige verzen iets anders en meer is, dan een samenstel van als gelijksoortig te beschouwen en met een paar etiketten te beplakken taalbrokjes; dat het geheel een leven en een gang heeft, die van het allergrootste belang zijn bij de beoordeeling dier afzonderlijke versdeeltjes en de iythmische beteekenis daarvan. „Betrekking van toon en maat" zegt Bilderdijk (Ned. Spraakl. 380) „zijn deels voortvloeiende uit den aart der sylben van een woord, dus uit dien der woorden onderling; deels ook uit het meer of minder belang der sylben van een woord of van dat der woorden in eene rede; deels ook uit een algemeene vorm van kadans, val, of zang, dien men zich, onafhankelijk van de woorden of rede, voorstelt, en waaraan men de rede onderwerpt." Dat zijn dus woordklemtoon, zinsklemtoon en de niet uit de woorden voortgekomen, maar juist deze in zich opnemende en meesleepende rythmische gang van zin of vers. Met zijn verdeeling van het vers volgens de „kolons" der rede (vgl. N. Versch. II 127 vlgg.) deed Bilderdijk althans een poging, om iets van eenigszins positieven aard tegenover de afscheiding van voeten te stellen, die hij immers voor allerminst afdoende hield. Overigens echter gaat hij niet eigenlijk van het gehate regelmatige „kleptoon"-schema af, doch behoudt dit als theoretischen grondslag, waarvan alleen afwijkingen in hooge mate gewenscht zijn. Zoo ver waren velen vóór hem ook reeds geweest.

Bij Kinker ligt dit juiste oordeel ten grondslag aan zijn geheele betoog. Metrum is bij hem de grooter of geringer duur der lettergreep, voorzeker, maar diezelfde term duidt ook aan het „metrum", dat in overeenstemming met het vers-schema, ja het versschema zelve is. Hier ligt m. i. de groote moeilijkheid in Kinker's gedachtengang; en, met allen eerbied voor den wijsgeer, waag ik te onderstellen, dat er meer achter schuilt, nml. een niet geheel doordachte duisterheid, die te wijten is aan de neiging om zekere werkehjk metrische eischen van het schema met bepaalde me-

Sluiten