Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

151

doceert, dat wij een vaststaande quantiteit tot nog toe missen in onze woorden „in welke de geheele berekening van lengte of kortheid blootelijk slechts afhangt van de verhouding, waarin wij ons de sylben denken tot diegene, waarop de klemtoon valt" (blz. 396). David de Simpel (Beredeneerde ontleding v. d. voornaamste grondregelen der Dicht- Rede- Tooneel- en Uitgalmkunst enz. Yperen 1825, waarin II blz. 113 vlgg. zijn Prosodia der Nederl. Taal) geeft niet veel meer dan een uitvoerige beschrijving van Kinker's theorie. Ook J. David (Nederduytsche Spraekkunst. II Woordvoeging en Prosodie. Mechelen 1837) spreekt over toon en maat in navolging van Kinker en Bilderdijk; tegen hem en zijn boek stelden Dautzenberg, Van Duyse c.s. zich uitdrukkehjk te weer l). Een anonym werkje van 1838 en 1840, dat in vele opzichten het standpunt van Hesselink weergeeft werd reeds terloops genoemd (blz. 147 noot).

Opmerkelijker is de korte verklaring van A. F. Sifflé (Antwoord op de vraag wegens het gebruik van min regelmatige rijmwoorden

in Nederl. gedichten Verhandelingen uitgegeven d. Teyler's

2e Genootsch. XX, Haarlem 1828): „Maar, in den Rhythmischen [dus onzen] dichttrant, komt bij de Scansie, of oplossing der verzen in voeten of maatverdeelingen, de duur der silben in geen de minste aanmerking, en elke greep kan slechts als één tempo worden gerekend"; evenals bij de Franschen bepaalt bij ons het aantal dier als gelijk te beschouwen lettergrepen de maat (la mesure) van het vers, met dit eenig onderscheid, dat bij ons de toonval (la cadence) beter is geregeld (blz. 30). Sifflé had op dezen grondslag de prediker van een beter leer kunnen worden, maar zijn studie handelde eigenlijk niet over rythme en beperkte zich verder ook trouw tot de gestelde rijmkwesties.

In een latere verhandeling voor hetzelfde genootschap (XXVIII, Haarlem 1857) besprak W. G. Brill de „Aesthetische waarde der klassieke en der moderne dichtvormen." Hij bepaalde zich tot de vermelding van het feit, dat de klassieke metrische versbouw zich bij de modernen tot een accentuatieve heeft vervormd, in overeenstemming met de ontwikkeling der talen zelf. Van dit verschijnsel, dat zich reeds in het later Latijn voltrok, trachtte hij een soort sociologische verklaring te geven: de taal immers, die toen

*) Voor deze latere Zuidnederlandsche theorieën zie het eerste hoofdstuk.

Sluiten