Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Door J. C. Vergouwen') is de leer in al 290 consequenties volgehouden, dat den Koning geen perken in zijn bevoegdheden zijn gesteld; immers de landvoogden zouden hun macht aan hem nog evenzoo ontleenen, als vóór 1854 en 1865 het geval was, alleen zou sindsdien de wet als trechter gediend hebben; louter utiliteitsoverwegingen deden er de voorkeur aan geven den landvoogden enkele machtsfuncties te schenken, en in artikel 1 2) van het Indisch regeeringsreglement zou den wetgever juist een bestendiging van den toestand van vóór 1854 hebben neergelegd. Ook mr. C. C. van Helsdingen3) gaat van de vooropgestelde meening uit, dat aan den landvoogd brokstukken van 's Konings macht zijn toebedeeld, doch neemt desniettemin aan, dat daar, waar de wet den landvoogd aanwees, de Koning niet meer tot regeling bevoegd is. De gedachte van machtsdelegatie vindt men duidelijk terug in hetgeen mr. Godefroiop 15 Mei

') Koning en Landvoogd, in Anmuarium der Societas Studiosorum reformatorum, 1912.

2) Luidende: De regering der koloniën en bezittingen van het Rijk in Azie, uitmakende het gebied van NederlandschIndië, wordt in naam des Konings uitgeoefend door eenen Gouverneur-Generaal, op den voet en onder de bepalingen van het tegenwoordig reglement.

Ieder, die zich in Nederlandsch-Indië bevindt, is verplicht den Gouverneur-Generaal te erkennen als des Konings vertegenwoordiger, en hem als zoodanig te eerbiedigen en te gehoorzamen.

3) Koning en Gouverneur-Generaal, Koloniale Studiën 1919, 3e jaargang.

Sluiten