Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

hebben gesteld, dat door wettelijke regeling van het beleid der regeering over de overzeesche gebieden, een organieke wet ter uitwerking van een grondwetsvoorschrift zou tot stand komen, waarbij, naar de bedoeling van die grondwet zelf, een afperking van rechten en bevoegdheden zou plaats hebben tusschen den Koning en den landvoogd. Had hij het voorbeeld der bestaande regeeringsreglementen immers niet voor zich en gedroeg de wetgever in 1854 zich niet geheel naar het voorbeeld van de Koninkhjke regeeringsreglementen ?

Ook bij Buys' meening moet men toch nog den omvang van het in de grondwet gewortelde recht der landvoogden opsporen. Hiervan uitgaande kan van tegenstrijdigheid in de artikelen der regeeringsreglementen geen sprake zijn. De wetgever in 1854 en in 1865 werkte de beginselen uit, waarop de grondwetgever in 1848 doelde bij de vaststelling van het tweede hd van artikel 61 (59); de wetgever gaf daarbij naar het voorschrift der grondwet den landvoogd een macht, die hn ook tegenover de Kroon kon staande houden.

Wilde de wetgever van 1854 in regelingszaken geen bevoegde autoriteit aanwijzen, dan gebruikte hij den neutralen term: „algemeene verordening". Maar dan pleit ook volstrekt niet tegen de opvatting van Buys het feit, dat zoolang de wetgever zelf niet over de regeling een beslissing geeft, de Koning deze in eigen hand houdt. Het bekend geworden artikel uit de geheime instructie voor den gouverneur-generaal, waarin moet te lezen staan, dat de Koning de regeling van alle onderwerpen, die de wetgever niet uitdrukkelijk aan zich had gehouden of aan den gouverneur-generaal toegekend,

Sluiten