Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

Het punt concreet beziende, heeft men m. i. dus deze slotsom te trekken:

a. dat de bestuursbevoegdheden, den gouverneurgeneraal gegeven in de artikelen 36, 41 tot en met 55, 61 tot en met 64, 69, 71, 82, 83, 84, 96 97 98 101, 109, 121, 123, 125, 128, 131 tot en met 140 van" het regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië niet aan den Koning kunnen worden getrokken, evenmin, als die der artikelen 2, 4, 8, 30, 42, 49, 63"» 68* 93 tot en met 96, 114, 122 en 132 door den Koning aan den landvoogd kunnen worden overgedragen;

b. dat de regelingsbevoegdheden, den gouverneurgeneraal gegeven in de artikelen 57, 68, 68a, 68b, 68c, 69, 70, 71 lid 2, (evenals tot 1 Januari 1920 in artikel 75 lid 2), 77, 118 en 129 niet aan den Koning toekomen, al geldt daarvoor wel het bepaalde in artikel 20, en dat de Koning de hem in de artikelen 64 en 131 gegeven regelingsbevoegdheid niet aan den landvoogd mag laten.

Geheel hetzelfde kan men toepassen op de Westindische regeeringsreglementen en op de drie comptabiliteitswetten .

De hier besproken moeilijkheid zou vermoedelijk zgn uitgebleven, als men, op de wijze van artikel 188 grondwet, ') had doen uitkomen, dat de wet, die de regeeringsreglementen vaststelt, ook 's Konings opperbestuur (en 's Konings opperregeling) preciseeren en

) Luidende sinds 1887: De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur, bet oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat.

Sluiten