Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

gelijk algemeen artikel niet te vinden; toch neemt de practijk, zonder uitzondering, zoover wij weten, aan, dat 's Konings bevoegdheid om den landvoogd te bevelen ook voor Nederlandsch-Indië, een algemeene bevoegdheid is, waarvan de artikelen 20, 44 en 63 slechts enuntiatieve uitingen zijn. ') Wel bevreemdt het, dat op 19 November 1913, minister Pleyte in de tweede kamer verklaard heeft, niet alleen, dat uitsluitend de landvoogd in staat is over de exorbitante rechten te oordeelen, doch dat alleen hij daartoe bevoegd is.2) Hoe moet men nu echter de woorden opvatten: „zijn waardigheid uitoefenen met stipte inachtneming van 's Konings bevelen" ? De vraag is, scherp gesteld, deze: kan artikel 21 Suriname of Curacao zóó ver willen gaan van te bepalen, dat de gouverneur zelfs tot gehoorzaamheid verplicht is, indien hem bij Koninklijk bevel een recht onttrokken wordt dat de wet hem toekent, een recht wordt toebedeeld dat de wet aan anderen toekent, of een gezagsoefening wordt gelast die met de wet strijdig is ? Dat zou o.i. alleen

) Men zou voor Nederlandsch-Indië een argument voor het algemeene onderworpen zijn aan 's Konings bevelen van den gouverneur-generaal kunnen halen uit artikel 5 (en 6): „Ik zweer (beloof) dat ik den Koning gehoorzaam en getrouw zal zijn", welk woord „gehoorzaamheid" ontbreekt in artikel 13 der Westindische reglementen.

a) Handelingen tweede kamer 1913-1914, blz. 236. Vergelijk echter wat bij Keuchenius II, blz. 232 en 237, gezegd wordt over „hooger beroep" bij het opperbestuur, en zie Mr. P. H. C. Jongmans, De exorbitante rechten van den gouverneur-generaal in de practijk, Acad. proefschrift Leiden 1921, blz. 59-60 en 165.

Sluiten