Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

Jüc$/de woorden van Thorbecke, gesproken op 24 November 1859 in de tweede kamer: ')

„Kan van die magt om hier bevelen te geven, waardoor zonder eenigen twijfel de magt van den Gouverneur-Generaal moet beperkt zijn, niet een groot misbruik worden gemaakt, een misbruik, dat den Gouverneur-Generaal belet, in welke zaak ook te beslissen, alvorens hij van hier vernomen hebbe wat te doen? Is dat overeen te brengen met de Grondwet, en met het Regeringsreglement, de wettelijke instructie van den Gouverneur-Generaal? Dat Regeringsreglement bekleedt den Gouverneur-Generaal met een zelfstandige magt, die regten bevat, soms van meer omvang dan de kroon ze hier bezit. De Grondwet onderscheidt het bestuur, te regelen bn het Regeringsreglement, van het opperbestuur, waarvan de Minister van Koloniën het orgaan is. Doch wanneer nu de Minister in de plaats van den Gouverneur-Generaal treedt, bestuurt en beslist, is dat overeenkomstig met de bedoeling van de Grondwet en van het Regeringsreglement? Moet de Gouverneur-Generaal niet anders zijn dan de figurant, eene pop, waarvan iedere beweging getrokken wordt in de bureaus van den Minister van Koloniën ?

Men gewaagt dikwijls en te regt van groote dingen, welke de generaal Van den Bosch in de Oost heeft tot stand gebragt. Ware dat mogelijk geweest, wanneer toen een dergelijke systeem had geheerscht? Maar sedert die generaal Van den Bosch is dat stelsel ingeslopen, dat ik bestrijd en dat feitelijk, volgens de verzekering van den Minister van Koloniën nog bestaat." Ook voor Ned.-Indi'é is derhalve de slotsom deze, dat uit den tekst der wet een plicht van den landvoogd om voor ieder Koninklijk bevel, ook een wetsstrijdig bevel, te buigen niet is te halen.

0 Handelingen tweede kamer 1859-1860, blz. 300. Onuitgegeven parlementaire redevoeringen deel 5, blz. 208.

Sluiten