Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

van hem alleen hebben zij bevelen te wachten, tot dezen minister dienen de Staten-Generaal zich uitsluitend te wenden voor opheldering omtrent het beleid in de overzeesche gebieden. Hoe vanzelfsprekend en_van hoe fundamenteelen aard deze quaestie ons moge voorkomen, toch hebben enkele leden der StatenGeneraal bij het vaststellen van de regeeringsreglementen er anders over gedacht. In het voorloopig verslag der tweede kamer over het wetsontwerp van 1853 tot vaststelling van het Nederlandsch-Indisch regeeringsreglement lezen wij op artikel 34 (38) letter a:

„In eene afdeeling is gevraagd, of de hier voorkomende bepaling, in zoover daarin het beginsel ligt dat Koninkhjke besluiten en beschikkingen betrekkelijk Nederlandsch-Indië door tusschenkomSt van den Minister van Koloniën worden uitgevoerd, niet strijdig is met een grondwettig regt des Konings. Die opperbestuurder wordt daardoor zijdelings belet de zaken der koloniën, bijv. aan den Minister van Oorlog of van Justitie op te dragen. Bij de groote meerderheid der Afdeeling woog dit bezwaar niet. Men beriep zich daarbij op den geheelen aard van het constitutioneel koningschap en op algemeene begrippen van orde en regel in het staatsbeheer. De Koning kan niet ondersteld worden van zijne grondwettige bevoegdheid anders dan een rationeel gebruik te maken. Zoolang Nederland koloniën bezit, en dan wel koloniën van zooveel gewigt en omvang, zal er wel altoos een Minister van Koloniën blijven." ')

Hieruit is m. i. te lezen, dat men wel de mogelijkheid van bevelen aan den landvoogd uitgaande van een ander minister dan die van koloniën, onder het

i) Keuchenius, II, blz. 390.

Sluiten