Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

van Nederlandsen Indië er niet aan twijfelen mogt, dat de door U gedaan wordende aanschrijvingen altijd moeten geacht worden ter uitvoering van Zijner Majesteits bevelen of bedoelingen te strekken, een opzettelijk besluit om denaarkoming dier aanschrijvingen te gelasten, minder doelmatig zoude kunnen zijn.

Nadat de quaestie tusschen Willem I en Elout aldus grondig uitgemaakt is en de Indische regeering voortaan iedere ministerieele aanschrijving moet beschouwen als uitgegaan te zijn met medeweten van den Koning, arriveert de genoemde depêche van Van der Capellen, waarop Elout nogmaals in een geheim schrijven aan den Koning van 1 April 1826 op de zaak terugkomt: ')

Geen dezer bepalingen2) schijnt eenige kracht aan het gevoelen van den heer van der Capellen bij te zetten; dezelve bevestigen integendeel den algemeenen en in den aard der zaak gegronden regel, dat de regering van Nederlandsen Indië aan het Departement van Koloniën alle hare daden, alle voorvallen en wat dies meer is moet openleggen, en bij wettige gevolgtrekking kan dan ook aan dat Departement het regt niet betwist worden, om de Regering aan die verpligting te houden, om bedenkingen aan de Regering te maken, aan haar inlichtingen te vragen, en eindelijk dezelve teregt te wijzen, wanneer deze zich eenige afwijkingen mogt veroorloven, alles onder des Ministers verantwoordelijkheid aan Uwe Majesteit.

Ware dit anders, dan zou Uwe Majesteit zelve regtstreeks

') v. d. Kemp: Hout als Minister van Koloniën, in Bijdragen T.L.V. dl. LX1I. 1909, blz. 249 en 250.

J) In het voorgaande haalde Elout de artikelen 13 en 40 aan van de instructie van 1818.

Sluiten