Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

Indië. ') Daarin is het gebragt — ik geloof niet dat ik mij aan onbescheidenheid schuldig maak als ik zeg — op aandrang van den heer Baud, die zich, zoo ik meen, herinnerde een verschil van gevoelen an teneur aan 1848 tusschen hem en een zijner toenmalige collega's ontstaan. Er bestond toen verschil over de bevoegdheid van den Minister van Oorlog om zich in koloniale zaken te moeijen en orders te geven aan het leger in Indië, en het was in een tijd toen men de kracht en beteekenis van het ministeriele contraseign nog niet altijd zoo juist voelde. Om zoodanig verschil van gevoelen te voorkomen, is die bepaling gebragt in het regeringsreglement van 1854; maar het strijdt met de Grondwet. De wet heeft het regt niet om minisiteriele departementen in te stellen en het praerogatief des Konings tot het regelen van de bevoegdheid van hoofden van ministeriele departementen te beperken.

Volgens uitdrukkelijk voorschrift van art. 73 der Grondwet is het de Koning, die ministeriele departementen instelt en er de hoofden van benoemt; de Koning alleen heeft de magt om de bevoegdheid van de hoofden van die departementen te regelen. Hier zal men nu den Koning verbieden om indien* Hij dat mogt goedvinden, het beheer van de West-Indische koloniën over te brengen bijv. bij het Departement van Marine of bij dat van Oorlog. Dit gaat te ver. Het regeringsreglement van 1854 is, wat deze bepaling betreft, naar mijne overtuiging in strijd met de Grondwet; het zou misschien eenigzins vreemd schijnen wanneer die bepaling niet wierd overgenomen in dit regeringsreglement; maar die schijnbare inconsequentie is toch beter dan om iets, wat ongrondwettig is, hier nu wederom te bevestigen.

Ik neem dus de vrijheid aan den Minister te vragen, of hij er bezwaar in zou zien lit. a te wijzigen? 2)

') Artikel 38.

J) Handelingen tweede kamer 1864-1865, blz. 913; Bordewijk, blz. 94.

Sluiten