Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

grooting voor 1915, treffen we het volgende aan;')

«Vermits de Gouverneur-Generaal aan Hare Majesteit de Koningin den wensch te kennen had gegeven, zijne waardigheid tegen het einde des jaars neder te leggen en de Regeering het in 's Lands belang oordeelde in de moeilijke dagen, die voor Nederland en koloniën waren aangebroken, over de diensten van den heer Idenburg te kunnen beschikken, heeft de ondergeteekende, na bekomen machtiging van Hare Majesteit de Koningin, dezen uitgenoodigd de landvoogdij te blijven voeren, totdat rustiger tijden zouden zijn aangebroken.

Met voldoening werd omgaand bericht ontvangen, dat de Gouverneur-Generaal bereid was aan zijn verzoek te voldoen.'

Op 19 Mei 1917, bij de behandeling van de Indische begrooting voor 1917, voelt de heer Colijn zich verplicht minister Pleyte te kapittelen over deze, zooals hij het noemt, „onjuiste wijze van uitdrukken' :

„Alvorens over te gaan tot het behandelen van het onderwerp, dat ik wensch te bespreken, zou ik een enkel woord ter inleiding willen zeggen.

Het eerste punt betreft het antwoord, door den Minister van Koloniën gegeven op een bedenking, die in het Voorloopig Verslag was gemaakt, met betrekking tot een onjuiste wijze van uitdrukken van de zijde van het Departement van Koloniën, een bedenking van staatsrechtelijken aard. In het Voorloopig Verslag werd de opmerking gemaakt, dat de minister in een telegram naar Indië gesproken had van Hare Majesteit de Koningin èn de Regeering als twee geheel afzonderlijke staatsmachten en de vraag werd gesteld: gij hebt u daarin zeker vergist, dat kan toch niet juist zijn ?

') Handelingen tweede kamer 1914-1915. Bijlage B, no. 41.

Sluiten