Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

genden dag, 18 April, rijn rede voortzettend, begint minister De Jonge dan ook met op deze quaestie terug te komen:

„Dit conflict nu was van zeer geringe beteekenis, zóó gering, dat ik mij niet eens herinner, waarover het geloopen heeft. Ik heb alleen de figuur onthouden, omdat zij zulk een aardig juridisch punt opleverde en er zoo eigenaardig uit bleek, hoe het practische Staatsrecht, dat dikwijls zoo heel anders loopt dan het theoretische, soms toch in eens door de theorie wordt beheerscht; zoo in dit geval, toen ineens bleek, dat de Minister van Koloniën — en hetzelfde geldt voor den Minister van Oorlog tegenover den opperbevelhebber — een opdracht, of een aanwijzing gevende voor zich persoonlijk eigenlijk niets te zeggen heeft, doch alleen spreekt en handelt namens de Kroon." )

Hier hebben vrij dus het op blz. 80 bedoelde derde geval, dat een landvoogd geen genoegen neemt met het ministerieel bevel en navraag doet naar 's Konings meening. Voor Van der Capellen lag de zaak anders: de minister, die hem zijn aanschrijvingen zond, was evenals hij zelf slechts rechtstreeks verantwoording schuldig aan de persoon des Konings; Van der Capellen mocht zich beschouwen als 's Konings vertegenwoordiger om alleen diens bevelen in ontvangst te nemen, daargelaten natuurlijk, dat de landvoogd rekening had te houden met de administratieve zijde, dat hij alle gewenschte inlichtingen en verdere correspondentie voerde met den minister. Hierboven gaven wij reeds aan, waarom o. i. Van der Capellen, in de aangehaalde quaestie sterk stond, al was rijn

') Handelingen eerste kamer 1917-1918, blz. 419-420.

Sluiten