Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

zoo men wil, gelijk de heer Thorbecke ze noemde, „koninkKjk-ministerieele" bevelen.') Tusschen deze en de eigen bevelen des ministers bestaat een breed onderscheid. De Gouverneur-Generaal is niet, als de sekretaris of andere ondergeschikten van den minister, aan de laatsthedoelde bevelen gebonden.

Deze opvatting steunt op de stellige bepalingen der wet. Nergens in het regeringsreglement wordt de GouverneurGeneraal, ofschoon het hem verpligt tot ettelijke kennisgevingen aan den minister, onderworpen aan de bevelen van den minister, buiten den Koning. Overal spreekt het van 's Konings bevelen of bevelen vanwege den Koning, 's Konings besluiten, beschikkingen, voorsohriften, magtiging, goedkeuring, uitspraak. De opdragt door den minister, bedongen bij art. 38 a en b, geldt wetten en verdragen; zoodat 's Konings bewilliging voorafging.

We kunnen niet doordringen tot de verhouding tusschen Koning en minister, of de Koning den minister blanco volmacht gegeven heeft voor eens en voor altijd, dan of hij nog in iedere beschikking afzonderlijk wil gekend worden, het is een verhouding, zooals van de Putte die omschreef:

„Afhankelijk van omstandigheden van het juist begrip van elkanders bevoegdheid en verantwoordelijkheid, het is een quaestie van goede verstandhouding, van temperament, van meer of mindere prikkelbaarheid, van humeur, doch waarbij , 's lands zaken in hooge mate betrokken zijn." Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor die tusschen minister en landvoogd, waarbij wij in het oog moeten houden, dat iedere landvoogd gemiddeld het bewind van

') In diens rede in de tweede kamer op 24 November 1859. Handelingen 1859-1860, blz. 300.

Sluiten