Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

eerste dagen der restauratie te ontkomen, maar werden later gevat en aan het gerecht overgeleverd. Het viel gemakkelijk, bewijsmateriaal te verzamelen; het meerendeel der beklaagden was van meer dan één moord te overtuigen. Het doodvonnis werd tegen hen uitgesproken, maar is niet ten uitvoer gelegd; de Russische sowjetregeering dreigde in dat geval eenige duizende Hongaarsche officieren, die zij als gijzelaars gevangen had gehouden, ter dood te zullen brengen. De terroristen zijn uitgewisseld tegen de gevangen officieren, en Rusland heeft zijn geesteskinderen met evenveel genoegen opgenomen als Hongarije hen liet gaan.

Over eenige beklaagden zijn bijzonderheden bekend, die niet zonder belang zijn voor de beoordeeling der roode terreur.

Tot de geboren misdadigers in den zin van Lombroso, de ethisch defecten, lijders aan insania moralis, hooren meerdere zeer actieve leden der terroristengroep. Moritz Löbl (fig. I) vertoont het typische crimineele hoofd, met het achteruitwijkende voorhoofd, den vooruitstekenden wenkbrauwboog, den sterk ontwikkelden kin; zijn hersenschedel maakt den indruk, licht hydrocephaal te zijn, wat bij de crimineelen vaker voor schijnt te komen dan bij normalen (Jelgersma); opvallend zijn zijn afstaande ooren.1) Behalve van andere misdaden kon hij overtuigd worden van moord op den privaat-docent Berend, toen deze bij de mislukte contrarevolutie op 24 Juni riep: „Weg met Kun!" Met revolverschoten en messteken werd Berend afgemaakt en zijn lijk in den Donau geworpen. Zoowel de moordenaar als zijn slachtoffer waren beide Joden.

Een tweede criminel né is Imre Dögei. Hij was van herculischen lichaamsbouw. Hij is de moordenaar van Nikolényi en van den advocaat Stentzel; deze beide misdaden konden tenminste bewezen worden.

Imre Dögei's uiterlijk (fig. II) vertoont eveneens de typische kenteekenen. Ook hier het wijkende voorhoofd, het hooge aangezicht, de enorme kaak. Opvallend door wat ik zou willen noemen hun „wreeden blik" zijn Géza Groó (fig. III) en Ernö Pót (fig. IV) 2). Deze drie hebben meegedaan aan moorden en martelingen in de kelders van het Batthyanyi-paleis en van het parlement. In deze folterkelders werden bekentenissen afgedwongen aan mannen, die van contrarevolutionaire daden beticht waren. De beklaagden werden eerst geheel ontkleed, en dan geslagen met stokken en met naalden gestoken; soms

') Het portret „en face" is niet afgedrukt.

*) De reproducties geven hiervan geen duidelijken indruk.

Sluiten