Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

SALARISREGELING

voor bijzonder bekwame vaklieden, worden verhoogd met ƒ.200?

Toen de regeering, bij monde van min. de Vries, weigerde, stelde Helsdingen de volgende motie voor:

„I, De Kamer, gehoord de discussiën en de verklaringen van de regeering, dat het om verschillende redenen niet doenlijk is de nieuwe salarisregeling voor de ambtenaren te doen ingaan 1 Juli 1919;

overwegende dat de ambtenaren van de latere invoering dan op 1 Juli 1919 geen schade mogen ondervinden en dat de noodtoestand onder de ambtenaren van dien aard is, dat daarin geen voldoende verbetering wordt gebracht met de voorgenomen uitkeering van één maand salaris, met een minimum van ƒ 100;

spreekt de noodzakelijkheid uit om genoemde extra uitkeering te verdubbelen en in 1919 nog een tweede maand extra salaris uit te betalen;

noodigt de regeering uit daartoe onverwijld de noodige maatregelen te nemen", enz,

„II. De Kamer, van oordeel, dat voor de Rijkswerklieden een uniforme loonregeling behoort te komen, zich aansluitende bij die welke door de Salariskommissie voor de Burgerlijke Ambtenaren is ontworpen,

noodigt de regeering uit voor de totstandkoming daarvan de noodige maatregelen te treffen,

spreekt verder uit dat zoo spoedig mogelijk moet worden overgegaan tot uitbetaling van het tegoed door inwerkingtreding der voorloopige loonregeling met terugwerkende kracht tot 1 Juli 1918, en toegekend moet worden een extra uitkeering van ƒ 200 in eens.

noodigt de regeering uit daarvoor de noodige maatregelen te nemen", enz.

Deze moties werden 30 Sept. 1920 (bl. 42 der Hand. 1919/20) verworpen. De eerste, omtrent de ambtenaren, met 49 tegen 36 stemmen, rechts tegen links, behalve dat de heeren Niemeijer en Van Doorn van links ook tegen stemden en dr, v. d. Laar voor. De tweede, omtrent de werklieden, viel met 52 tegen 33 stemmen, waarbij mèt rechts nu ook tegenstemden de heeren Fock, Dresselhuys, Van Rappard, Van Doorn en Niemeijer, dus 4 van de tegenwoordige, nog levende Vrijheidsbonders, terwijl met links meestemde dr. v. d. Laar.

Een motie-Van Ravesteijn, om alle werklieden en ambtenaren een minimumloon van ƒ3230 te geven, werd verworpen met alleen de sociaaldemokraten en kommunisten en Kolthek vóór. Deze motie werd van soc. dem. zijde ontijdig geacht, daar de beslissing, die toch verkeerd zou zijn, zou vooruitloopen op een in uitzicht gesteld wetsontwerp. Natuurlijk was dit voor de onzen geen reden om tegen te stemmen.

Bij kon. besluit van 23 Januari 1920 is een regeling van de bezoldiging voor burgerlijke ambtenaren vastgesteld. 20 Februari

Sluiten