Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTI-THESE-POLTTIEK

32

December 1909 (blz. 985 Hand.) zei, dat er eigenlijk „te we in i g loten t4fww*'&

Bij de kwestie der Plaatse 1 ij k e keuze in de Drankwet, ook een ideëele vraag, weer hetzelfde. Met 39—29 stemmen werd 21 April 1921 het wetsvoorstel-Rutgers aangenomen. Vóór stemden ds. v. d. Voort van Zijp, v. d. Molen, Bulten, Gerretson, Bakker, Engels en anderen, maar tegen de klerikalen van1 Wijnbergen, Heemskerk, Monté ver Loren, van Dijk en natuurlijk Fleskens. Ook hier dus weer verschil.

Terzake van de herziening der Arbeidswet schreef „Patrimonium" van 13 Oktober het volgende:

„De heer G. I. v. d. P., die geregeld in de „Voorzorg" schrijft, is blijkbaar ook eenigszins onder den indruk gekomen van de agitatie tegen de Arbeidswet.

Wij kunnen dat verstaan. Maar zeer bedenkelijk achten wij eene door hem gebezigde uitdrukking. Het zaL; zegt hij, vroeg of laat wel blijken, dat het „niet overeenkomstig de ordinantiën Gods is, en de algemeene wereldbehoeften dat over de breede linie der volkeren slechts een derde deel van den betrekkelijk korten arbeidstijd in een menschenleven aan het werken wordt besteed."

Dat spreken over de „ordinantiën Gods" schijnt ons in dit verband al bijzonder gevaarlijk. De Schrift bevat geen enkele aanwijzing waaruit af valt te leiden, dat een beperking van den arbeid in loondienst tot gemiddeld acht uur niet geoorloofd zou zijn. De historie zegt ons, dat zeer verschillende regelingen hebben gegolden. In de Middeleeuwen bijv,, toen er minder intensief werd gewerkt, heeft "bet aantal arbeidsuren per jaar de 2500 maar zelden overschreden.

Men zij voorzichtig! Men make niet zelf „ordinantiën," Waaraan men een Goddelijk gezag gaat toekennen. Dat gevaar is niet denkbeeldig."

Dit wat protestanten onderling betreft!

Een kras voorbeeld is ook de zaak van de Processies van de Katholieken1 (Me overigens nog aldaar). De Staatskommissie en de christelijke regeering, met jhr. Ruys aan het hoofd en voorts met de anti-revolutionairen de Vries en Heemskerk en den christ. historikus De Visser, stelden voor, art. 170 der Grondwet aldus te wijzigen, dat de katholieken hun processiën zullen mogen houden.

De dominees van de Ned. Hervormde Kerk kitsten echter overal de menigte tegen dat voorstel op en in verschillende kerken werden in Juni 1921 motiën aangenomen, waarin dit voorkwam: „dat het de roeping der Overheid is, als Gods dienaresse, op te komen voor de verheerlijking van Gods Naam en derhalve de a f g o d e r ij te weren uit het openbare leven, althans dezelve niet té bevorderen:

dat dus de gelegenheid om openbare processies te houden — waarmede aanbidding der hostie en beeldenver-

Sluiten