Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AKBEIDS8CHUWHEID EN PRODUCTIE

42

ARBEIDSSCHUWHEID EN PRODUCTIE.

De burgerlijke geleerden en politici schuiven, als zij lamenteeren over „arbeidsonlust" en „arbeidsschuwheid" bij de arbeiders na den wereldoorlog en de Europeesche revolutiën van 1918, de sociaaldem. gaarne in de schoenen, dat zij den lust tot arbeiden bij de arbeiders wegnemen en bederven. Uitdrukkingen als „de arbeiders willen onder het kapitalisme niet meer werken" worden door hen uitgelegd alsof bedoeld zou worden, dat de arbeiders niet meer behoorlijk zouden willen of behoeven te werken zoolang het kapitalisme nog bestaat, zelfs met een 8-urigen arbeidsdag. Natuurlijk is dit niet juist. Belang bij een behoorlijke productie hebben ook de arbeiders, reeds thans, al is dat belang tegenwoordig niet zoo groot als onder het socialistische maatschappij-stelsel. Weinig arbeid verrichten bij een verkorten ■werkdag levert slechts wapenen aan de reactie en maakt óók de produkten voor de arbeiders-konsumenten onnoodig duur.

Bij de behandeling van het ontwerp Arbeidswet, 2 Juli 1919, zei dan ook Schaper in zijn rede ter gelegenheid van de algemeene beraadslaging over het ontwerp:

„Ik geef toe; ook vanwege de arbeiders is noodig een goeue toepassing van deze wet. Zij hebben den plicht steeds mede kontröle te oefenen op de naleving daarvan, maar zij hebben ook geen arbeid te zoeken in loondienst na hun dagtaak van 8 of 10 uur, om geld te verdienen, want dan wordt het doel voorbijgestreefd. Zij hebben ook niet onverschillig te zijn jegens de productie. Men moet het niet voorstellen alsof de arbeiders daartegenover onverschillig zouden staan. In het Voorloopig Verslag is gezegd — tweemaal nog wel! —: dat de Hollandsche arbeider niet één van de vlugste is. Men zou kunnen zeggen: hoe zou hij het kunnen zijn, met dien eeuwig langen werktijd!"

En even later het volgende: : „Ik zou het ee n ramp achten wanneer, ook onder de kapitalistische voortbrenging, de arbeiders onverschillig zouden zijn ten aanzien van de productie. De arbeider moet het besef hebben dat, in welke maatschappij ook, behoorlijk moet worden gewerkt. Het zou een ramp zijn voor deze maatschappij, ' maar zeker voor die welke wij hopen te verwezenlijken en waarin de arbeiders zelf het roer van Staat in handen hebben gekregen, indien voor gemeenschappelijke rekening de productie zal worden geregeld en de arbeidsmiddelen gemeenschappelijk eigendom zullen zijn, als de arbeiders zich zouden gewennen aan de gedachte dat er niet veel gedaan behoeft te worden. Maar wij hopen, dat de arbeiders onder deze wet hun plicht behoorlijk zullen doen. In het algemeen zijn wij daarvan overtuigd". (Bladz. 2831 en '32 der Hand.)

Troelstra, 12 November 1919 de algemeene politiek bij de Staatsbegrooting voor 1920 behandelende, sprak over den eisch tot verhooging der productie het volgende:

Sluiten