Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSCHE POLITIEK

96

om er verdere stappen op te doen. In elk geval bleek, dat minister v. Karnebeek soms ook aan de kommissie belangrijke zaken verzwijgt. Zoó inzake net s

Servisch-Nederlandsch geschil. ' — Begin December 1920 verschenen berichten in de bladen omtrent de terugroeping van den Ned. gezant te Belgrado, een daad, die een scherp konflikt tusschen twee natiën beteekent. Tot dusver wist men in Nederland niets van eenig geschil tusschen Servië (Joego-Slavië, of: „het land der Serven, Kroaten en Slovenen", zoo de minister het noemde) en Nederland. Uit een verklaring van min. van Karnebeek op 15 Dec. 1920 — toen de Jonge reeds schriftelijke Vragen gesteld had — bleek, dat reeds sedert Augustus 1914, dus bij het begin van den oorlog, een hevig geschil met Servië bestond. De waarn. konsul-generaal der Nederlanden, Rappoport, eerrOostenrijksch onderdaan, was door de Servische autoriteiten in hechtenis genomen en naar Vranja vervoerd, waar hij vele maanden werd gevangen gehouden. Aan de Nederlandsche Regeering werd daarvan door de Servische Regeering geenerlei mededeeling gedaan. Dit laatste was een ernstige fout, doch men bedenke overigens, dat Servië met Oostenrijk in oorlog was en dat gemelde konsulgen. beschuldigd werd, in betrekking te staan met de Oostenrijksche bezetting in Servië. De hoofdzaak is echter, dat het publiek van dit alles niets te weten was gekomen en, als Servië dichter bij had gelegen, een oorlog uit dit geschil had kunnen ontstaan, zonder dat wij er eenig vermoeden van hadden. Nu echter reeds werd geklaagd door schippers, dat ze in Servië last hadden van den toestand. In Augustus 1920 was er een nieuwe hevige fase in het konflikt gekomen. Schaper protesteerde terstond krachtig tegen deze geheimdoenerij (bladz. 1037) en zeide:

„De kamerleden hebben evengoed hun verantwoordelijkheid als de Minister van Buitenlandsche Zaken. Ik hoop, dat wij bij de behandeling van de begrooting voor Buitenlandsche Zenen op deze zaak terug zullen komen, zoo niet ik, dan een ander, maar op het oogenblik wil ik vastleggen, dat. hier de StatenGeneraal zijn behandeld op een wijze, die in een demokratischkonstitutioneelen Staat niet te pas komt, en ik protesteer daartegen bij voorbaat".

Op een vraag van Duys moest de minister verklaren, dat zelfs de kommissie van overleg omtrent de buitenl. zaken niet was ingelicht. De heer Dresselhuys vond dit „niet juists (!) maar hield overigens een slap speechje en mr. Lohman verdedigde ronduit den minister. Niemand in de Kamer protesteerde verder! De minister -had geen andere verdediging, dan dat hij- het geval een kleinigheid .oordeelde, waaromtrent de Kamer en het publiek niet behoefden te worden ingelicht, terwijl hij in Augustus dacht, dat de zaak reeds was afgeloopen (bladz. 1038).

Bij de behandeling van hoofdstuk III der Staatsbegrooting

Sluiten