Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

153

DB KROONPRINS

„Wij zitten intusschen met den Duitschen keizer en diens Boon en nu wil de heer. van-Ravesteyn, dat zij niet zullen worden uitgeleverd. Goed, maar naar mijn meening moeten wij van deze situatie ai en daarom zou ik de Regeering de pertinente vraag willen doen: wanneer komt aan dezen toestand nu eens een einde, hoe lang zal de Duitsche keizer in ons land (tot blijven?"

Schaper stelde, toen nog geen al te bevredigend antwoord kwam, de volgende motie:

„De Kamer, van bordeel, dat zij er op mag rekenen, dat de Regeering, getrouw aan de door haar gegeven verzekeringen, alle mogelijke maatregelen zal nemen om den gewezen keizer en den voormaligen kroonprins te beletten invloed uit te oefenen op de politieke gebeurtenissen", enz.

Van burgerlijke zijde werd echter deze motie „van vermaning" onnoodig geoordeeld, doch de Kamer was volgens Sch. verplicht, de verantwoordelijkheid der regeering vast te stellen en zelf zich van die verantwoordelijkheid te kwijten. Vooral de vrijz.-demokraten in de Kamer bleken bang om te stemmen en joelden. Schaper sprak toen:

„Nu sta ik niet op een motie. Ik wil er zelfs niet toe medewerken, dat door verwerping van deze motie de toestand slechter in plaats van beter zou worden. Ik trek dus de motie in. Ik doe dat ondanks het indianen- en hyenagebrul van de onverantwoordelijke menschen van de Imkerzijde, die blijkbaar den ernst van den toestand niet begrijpen, die in hun cynisme tot alles in staat zijn, en niet anders kunnen doen dan afbreken; door de lafheid van deze menschen, de vrijzjnnig-demokraten vooral.... (bladz, 1633). .

Toch voelde dr. Nolens blijkbaar de noodzakelijkheid tegenover de geallieerden, nog iets te zeggen. Hij sprak:

„Naar aanleiding van hetgeen de heer Schaper heeft gezegd bij intrekking van zijn motie wensch ik te verklaren, dat ook zonder motie ik er zeker van ben, dat de Regeering alle maatregelen zal nemen, welke in de motie bedoeld zijn".

Natuurlijk was het heele debat begonnen om de regeering sterk aan te sporen tot waakzaamheid. Dit doel was bereikt, al had de Kamer beter gedaan , om de motie aan te nemen. De toekomst zal leeren, of deze niet verslapt,

De Kroonprins. — Uit een antwoord, gegeven door den minister van binnenl. zaken op Vragen van Schaper bleek 12 Mei 1920, dat voor de installatie van- keizer en kroonprins rond ƒ 14.500 was besteed aan inrichting van de woning van den kroonprins. De minister zou daarmede doorgaan! 2 Dec. 1920 werd daartegen van sociaal-dem. zijde geprotesteerd. 6 a 700 , gulden was uitgegeven om de logeerkamer op te knappen met üuweelen overgordijnen van ƒ 240. En daarvoor schold de man in brieven aan Duitschers de Hollanders uit voor „das öde

Sluiten