Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

161

GEDWONGEN LEENINGEN

Deze motie werd 4 Maart 1921 aangenomen met 47 tegen 38 stemmen. Tegen stemden de sociaal-demokraten, ac. kath. Kuiper, v. d. Bö£'-Molens, Deckers, Engels, v. Dijk, Haazevoet, Kolkman, v. Rijckevorsel, v. Vunren, Bongaerts, Henri Hermans en Kooien; voorts Braat (in het belang van het platteland) en dr. v. d. Laar. Tegen waren allë.'iwijh.bonders, in gezelschap van alle vrijz.Pfemokraten. Ook de kommunisten stemden tegen dit groote werk, in de richting van socialisatie, met hen alle anti-revOh^oaairen en chfist-historischen (bladz. 1891). De regeering trok later de wet in.

Een motie-v. d. Waerden, luidende:

„De Kamer, van oordeel, dat de Raad van Commissarissen van „het Nederlandsen Elec*tfciteitsbedrijf" behoort te worde»: Samengesteld uit vertegenwoordigers van den Staat, de aandeelhouders, de verbruikers, de technici en de arbeiders, verzoekt den Minister bij de vaststelling van de bepalingen der akte van oprichting van de Naamlooze Vennootschap-hiermede rekening te houden", enz.

kwam door een. en ander ook niet in behandeling. GEDWONGEN LEENINGEN.

De eerste feitelijk gedwongen leening werd uitgeschreven in 1914. Tegelijk werd een leeningfonds gesticht. De leening werd aangegaan van ƒ275 millioen, waaraan vrijwillig of gedwongen werd deelgenpmen. De rentevoet was 4 percent irij gedwongen en 5 percent bij vrijwillige inschrijving. Tot dekking der kosten werden op tal van belastingen opcenten geheven. (Stbl. 612). Bij de wet van 22 Dec. 1919 (Stbl. 830j werd de wet op het leeningfonds gewijzigd tot uitbreiding der opcenten en eindelijk, ten vierde male, bij de wet van 5 Juli 1920. 15 December 1917 (Stbl. 710) werd een nieuwe _ vrijwillige of gedwongen leening uitgeschreven van ƒ 500 millioen, tegen 41/2 percent rente bij vrijwillige deelneming en van 3 percent [hij 'cVang. De 5 percents leening van 1914 werd hierdoor tot een lager percentage teruggebracht. 30 Januari 1920 werd weer een leening uitgeschreven van ƒ450 millioen, thans zuiver gedwongen, tegen een rentevoet van 5 percent. De sociaal-demokraten en ook de vrijz.-demokraten, verzetten zich tegen deze leening, omdat, zooals v. d. Tempel opmerkte, op een nadere, meer radikale beslissing omtrent de dekking der krisis-uitgaver, b.v. door een heffing ineens — werd vooruitgeloopen. Daarom stelden zijvtjor, eerst veel minder ,(225 millioen) te leenen en later te beslissen over de rest. Thans «ou de natie voor lange jaren met de laaien dezer leening zitten blijven. „Dat financieel beleid achten wij" — verklaarde 7 Jan. 1920 v. d. Tempel — „verkeerd, in de eerste plaats omdat het er toe leidt, dat voor een lange reeks van jaren het budget wordt bezwaard met geweldige sommen voor rente en aflossing van opgeteerd^,*»** tieve kapitalen, en in de tweede plaats, omdat waar de lasten

11

Sluiten