Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

183

DB VROUW IN DE GRONDWET DE TROONSOPVOLGING

schrift van de benoembaarheid tot eenig ambt worden uitgesloten". De vrijheidsbonders (verdediging van mej. Westeriasnij stelden voor te lezen tusschen de artt. 6 en 7i JDe wet erkent de volledige Staatsrechtelijke, burgerrechtelijke en ekonomische gehjkstelling van man en vrouw". Suze Groeneweg bepleitte 2 Nov. de intrekking dezer voorstellen, niet omdat «e er tegen zou zijn, doch omdat een mogelijke verwerping precies — en onnoodig — het omgekeerde van hetgeen men bedeelde zou veroorzaken. Het amend.-Westerman was bovendien zoo gesteld, dat het praktisch tot onzinnige uitleggingen kan aanleiding geven. Het amend.-Marchttat c.s. werd dan ook ingetrokken en dat van den Vrijheidsbond verworpen met'VI" tegen 13 stemmen (alleen vr.bonders, bladz. 304/5).

(Mr. Marchant stelde daarna een motie in den geest van zijn amendement voor, die later zal worden behandeld).

De Troonsopvolging. — Hierbij liep het over twee kwestiën: le, of bij hét vooruitzicht van de afwezigheid van een bevoegd troonopvolger uit het Oranjehuis meer of minder verre nakomelingen zullen worden uitgesloten en 2e. of niet alsdan door of namens het Ned. Valk zal worden beslist over den staatsvorm, n.1. of het de republiek zal verkiezen boven de monarchie.

Door de sociaal-demokraten, de vrijz.-demokraten en de kommunisten was voorgesteld, in navolging van de Staatskommissie, de Volksstemming voor de keuze over den regeeringsvorm voor te schrijven, in art. 20. Troelstra verdedigde 3 Nov. '21 de republiek tegenover de konstitutioneele monarchie.

„De hoogste lof, die men aan het konstitutioneele Koningschap kan toekennen, is, dat de Koning zich zelf daarbij wegdenkt als zelfstandigen faktor. Het is een kiezersmeerderheid, die de richting van het politiek beleid aangeeft; in verband met den uitgesproken wensch van de meerderheid der kiezers benoemt de Koningin een Kabinetsformateur met een bepaalde opdracht. Het is op die wijze, dat indirect, door'middel van den Koning, de wil van het politiek gerechtigde deel des volks zich in het bestuur uit.

Het moet worden toegegeven, dat ook onder het bestuur'van de tegenwoordige Koningin in dezen geen moeilijkheden in den weg worden gelegd. Maar het is ten slotte nog een vrijdagss tieve verdienste, waarvoor men trouwens geen Koning behoeft te zijn, en die ook door een President van een republiek zou kunnen worden befcacht.

Het konstitutioneele Koningschap echter berust op een tegenstrijdigheid en is oorzaak van duurzaam misverstand. Aan den eenen kant een pompeus optreden naar buiten, waardoor alle aandacht wordt geconcentreerd op den persoon des Konings, maar in dat zelfde konstitutioneele Koningschap is de Koning slechts werktuig in handen van de Regeeringspartijen^jlk behoef mij, om deze meening te illustreeren, niet te beroepen op mijn

Sluiten