Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOGE RAAD VAN ARBEID

216

van den Raad zullen worden behandeld, praeadvies uitbrengen aan den Raad. Negen van deze kommissiën houden zich in het bijzonder bezig met de belangen van de bedrijven, die onder de arbeidswetgeving vallen. De 10de kommissie brengt praeadvies uit omtrent bedrijfshygiëne, bedrijfsongevallen en verwante vraagstukken, de 11de kommissie omtrent de arbeidersverzekering en de 12de kommissie omtrent bedrijfsorganisatie, kollectieve kontrakten en verwante vraagstukken. Aan de 11de kommissie is in het bijzonder de bestudeering toebedacht van de in uitzicht' gestelde algemeene herziening der wetgeving regelende de arbeidersverzekering, ten einde daarin meer eenheid ie brengen. De 12de kommissie is een van de beide bij de zoogenaamde socialisatiedebatten in de Tweede Kamer toegezegde kommissiën.

Onzerzijds zétten in den Raad Wibaut, Brautigam, Bruens, Stenhuis, van der Wal en van de Walle. Plaatsvervangend voorzitter: dr. W. Nolens, sekretaris mr. A. C. Josephus Jitta.

De arbeidswetten (en de alg. maatregelen van bestuur daarvoor) worden door dezen Raad behandeld, voordat ze in het parlement komen (of in het Staatsblad verschijnen). Volgens de Grondwet komen die ontwerpen eerst ook nog in den Raad van State.

Ter gelegenheid van de alg. beschouwingen ov.^r de Staatsbegrooting voor 1920, op 12 Nov. 1919, sprak Troelstra over de instelling van dit kollege:

„Omtrent den Hoogen Raad van Arbeid wensch ik mij een oordeel voorloopig voor te behouden. Wij zullen deze instelling aan het werk moeten zien om te kunnen beoordeelen, of bejeoarlijke waarborgen zijn geschapen voor de wijk» van behandeling van zaken, den arbeid betreffende, welke in de tegenwoordige richting van den tijd ligt. Maar ik wil toegeven, dat in elk geval de grondslagen, welke wij daarin vinden, blijk geven, dat de Regeering beseft, dat de verschillende belangen, bij den arbeid betrokken, daarin moeten: zijn vertegenwoordigd. Wel is niet de keuze Van de personen, die den Raad samenstellen, aan de verschillende organisaties van werkgevers en van werknemers opgedragen, wel worden zij benoemd door de Regeering en wordt op die wijze de invloed van die organisatie!» eenigszins getemperd, maar toegegeven moet worden, dat er bij juist optreden van de Regeering in dezen en bij een juiste keuze der personen zeker een onpartijdige behandeling van zaken in dien H. Raad v. Arb. kan tot stand komen?', (Bladz. 284).

Schaper sprak er 3 Juni 1920, ter gelegenheid van de interpellatie over de inwerkingtreding van de Arbeidswet 1919, wat meer sceptisch over, daar hem de behandeling in dat kollege van het voorontwerp dier wet te lang duurde. Hij zeide ervan:

„Hier hebben wij nu een kollege, den Hoogen Raad "Van Arbeid, die binnenskamers vergadert; hij is niet onder den indruk der publieke opinie, hij kan doen wat hij wil, kan rek-

Sluiten