Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

255

KINDERRECHTERS

Tijdelijke bepalingen. — 8 Okl. 1921 diende de min. v. binnenl. zaken een ontwerpje in, om de nieuwe bepalingen eerst later, bij de verkiezingen voor de gemeenteraden ia 1923, ia werking te doen treden. Dit was noodig "voor de lijstén, die reeds een bewerking hadden ondergaan op grond der ongewijzigde wet. Bij de behandeling op 29 Nov. '21 stelde de heer iinoeck Henkemafis echter voor, de bepaling van 38c aangaande de opvolging van kandidaten van andere partijlijsten voor ititgeputte lijsten van gemeenteraden terstond te doen in werking treden. Hiervoor was voor de christ.-historischen een bizondere reden, daar zij in Amsterdam 2 vakante zetels van de 45 hoopten in te pahnen. Toch was er geen afdoend bezwaar tegen het voorstel, dat werd bestreden door dr. Beumer, anti-rev. De mhuster deelde mede, dat met het oog op andere artikelen der Gem.wet, in de Amsterdamsche vakatures toch wiet kon worden voorzien. Voor komende tusschentijdsche vakatures kon zij echter gelden. — Het aroend.-Snoeck H. werd 29 Nov. '21 aangenomen met 44 tegen 34 stemmen. De sociaaldemocraten, vrijz.-demokraten, vrijh.bonders, kommunisten en christ.-historischen stemden voor; de katholieken op v. Schaik en Sasse na, en de anti-revotationairen tegen (bladz. 705). 13 Jan. '22 werden de wetjes afgekondigd.

KINDERRECHTERS.

Tot invoering van den kinderrechter werd 18 Maart W24 i een ontwerp ingediend. Het waren wijzigingen van de wet op de Rechterlijke Organisatie, het Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van Strafvordering. Er zouden gevormd worde» aai Kén lid bestaande kamers voor de behandeling van burgerlijke kinderzaken. Bij elke arrondissements-rechtbank zou de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke kinderzakken (kinderrechter) tevens belast zijn met de behandeling van kinderstrafzaken. Minderjarigen zouden tevens onder toezicht kunnen worden gesteld. — Bij de behandeling van het wetsontwerp deed zich de vraag voor, of de vrouw voor de funktie van kinderrechter in aanmerking zou kannen moeten komen. §Op verzoek adviseerde daarover de Hooge Raad en deze adviseerde gunstig voor de benoeming van vrouwen.

„Voor wat toch deze quaestie betreft, is de Hooge Raad" — |coo schreef dit kollege in zijn brief van 17 Mei 1921 — „enkel te rade gegaan met wat de ervaring heeft geleerd, al erkent hij ook, dat deze ervaring nog niet groot genoeg is om er vaste conclusies uit te trekken. Maar, naar het hem voorkomt, is toch wel gebleken, dat ook vrouwen op uitnemende wijze een ■taak vervullen waarbij het voor alles aankomt op objektiviteit I en onbevangenheid en in het algemeen op die eigenschappen welke voor eea goede rechtspraak onmisbaar zijn. Aan het gemis dier" eigenschappen of aaa twijfel daaromtrent een argu-

Sluiten