Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEGER EN VLOOT

282

tegen) (Bladz. 1676). Intusschen was daarmede deze gewichtige stemming niet ongedaan gemaakt. Een motie-Schokking, voorgesteld als bliksem-afleider, luidende:

„De Kamer, van oordeel, dat thans nog niet beoordeeld kan worden in welke-mate vermindering der weermacht kan plaats hebben,

dat evenwel aanstonds ingrijpende hervormingen behooren te geschieden, waardoor een andere verhouding tusschen meerderen en minderen, een beter geregelde rechtspositie en scherpere controle op de uitgaven verkregen worden,

noodigt. de Regeering uit ten- spoedigste de daartoe strekkende maatregelen te willen nemen".

werd verworpen met 47 tegen 19 stemmen. Hiervoor stemden alleen de meeste anti-revolutionairen, de christ.-historischen en eenige liberalen als mr. Dresselhuys en v. Rappard. Het eerste lid was reactionair en te veroordeelen (bladz. 1676).

Intusschen was uit de aanneming der motie-Bomans gebleken, dat de Kamer bezuiniging op de uitgaven voor het leger wilde. Toch kwam de minister Alting von Geusau in 1919 weer met een hooge legerbegrooting voor 1920, zoodat bij de behandeling in de Kamer het eindcijfer ƒ 49.756.438 bedroeg. Er komen echter geregeld zoovele suppletoire begrootingen voor „oorlog" bij, dat b.v. voor 1919 ongeveer ƒ 1213j4 millioen was uitgegeven.

Toen nu in December 1919 de oorlogsbegrooting in de Kamer in behandeling kwam, was deze geneigd om voor ieder bezuinigingsvoorstel te stemmen. Mr. Marchant was hardnekkig in het pogen om de legerbegrooting te drukken. 15 Dec. 1919 stelde hij de volgende motie voor (bladz. 947):

„De Kamer, van oordeel dat, in afwachting van den tijd, waarop de Regeering zal beschikken over de noodige gegevens om de positie van Nederland in het internationaal verband te bepalen en daarnaar de eischen van de militaire weerbaarheid vast te stellen, hoofdstuk VIII der Staatsbegrooting behoort te worden teruggebracht tot een raming van die uitgaven, welke volstrekt onmisbaar zijn om den dienst gaande te houden, noodigt de Regeering uit, de daartoe noodzakelijke wijzigingen in de begrooting aan te brengen", enz.

Deze werd 17 Dec, '19 verworpen met 59 tegen 23 stemmen. Voor stemden alleen de vrijz.-demokraten, de sociaaldemokraten, de kommunisten, A. P. Staalman en Braat (bladz. 1003). Intusschen was er ook een motie van de liberalen, welke, met als voorsteller mr. Dresselhuys en ook mr. Rink, het volgende beoogde:

„De Kamer, van oordeel, dat op de militaire uitgaven aanzienlijk moet worden bezuinigd, spreekt als haar gevoelen uit, dat in afwachting van een geheele herziening van de militaire otganisatie, in ieder geval voor het jaar 1920 het contingent belangrijk moet worden verminderd", enz. (bladz. 961J.

Sluiten