Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEGER EN VLOOT

286

Nieuwe Dienstplichtwet. — 11 Maart 1921 kwam een lijvig wetsontwerp in tot „Nieuwe regeling van den Dienstplicht". Het leger zou bestaan uit „kern"- en „reservetroepen", n.1. kerntroepen 14.000, reservetroepen 8000 man per jaar; Zeemacht 1000. De geheele diensttijd zou 20 jaar duren. In totaal zou de sterkte aan geoefende dienstplichtigen bij mobilisatie zijn pl.m. 24.600 X 15.24 SS rond 373.000 man. Hiervan zouden tot de kerntroepen behooren 251.000, tot de reservetroepen 432.000. De sterkte vin de jongste 15 lichtingen (de lichtingen, die bij mobilisatie dadelijk, in het algemeen genomen, bij het veldleger of bi) de bezettingstroepen dienst moeten doen) zou bedragen in ! het geheel 286.000, waaronder aan reservetroepen 93.000 man.

De opkomst onder de wapenen voor eerste oefening was bepaald op 6 maanden voor de kern- en 4 voor de reservetroepen der infanterie. Voor de voorgeoefenden zouden er 4 maanden afgaan, dus voor de ingelijfden bij de kerntroepen 2 maanden j en zonder opkomst voor de reservetroepen. Er zou volop ge- I legenheid tot vooroefening worden gegeven, de vrijwillige land- 1

vwnn zou er een voorname rol Dl] spelen. In de eerste 6 jaren «StMen er 4 X 20 dagen vervolgoefeningen plaats hebben en na de eerste 6 jaren 2X6 dagen.

Dit ontwerp ondervond een storm van kritiek. De miktawsteh in de Kamer, met name de anti-revolutienaireö, hadden bij het noodwetje'van 16 Febr. '21 reeds bedongen, dat die verkorte eerste oefeningstijd niet definitief zou gelden en dat men bij de groote wet er op terug wilde komen. Thans keurden de militaristen in en buiten de Kamer dit korte oefeningssysteem fel af. Vooral ook de splitsing in kern- en reservetroepen werd veroordeeld. De sociaaldemokraten daarentegen wezen op de vergrooting van het kontingent tegenover het bedoelde noodwetje, n.1. een 23.000 man tegen 13.000! Bovendien was er door de regeering geen poging gedaan om de kosten te ramen, terwijl aan die vooroefeningen door het gros der lotelingen niet zou worden deelgenomen. Toen 8 Juni 1921 het ontwerp aan de orde kwam, verdedigde v. Zadelhoff de ontwapening en zei K. ter Laan van het ontwerp o.m.:

„De heer Pop weet, hoe het wezen moet: 13.000 man is voor

ons land genoeg, maartuj weet ook, dat de zaak buiten hem om en tegen hem in anders bekokstoofd is; 23.000 man, in werkelijkheid 26.000 man, is wat anders dan 13.000 manl Maar dair zit nog altijd dezelfde minister, die een jaar geleden kwam met 13.000 man; de minister van de 13.000 man is ook de minister van de 26.000 man. Op militair gebied hooren wij soms ongelooflijke dingen".

Over de kosten zei ter Laan, dat hij deze op 100 millioen per jaar schatte. „Wij hebben burgerwachten, die ook al een l1/» millioen noodig hebben; wij hebben pottöètroepen, die niet bizonder goedkoop zijn, en een marechaussee, waarvan de kosten zoo langzamerhand 7'ttSlioen bedragen. Het Departement van

Sluiten