Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MJNPOLITIEK

328

Meisjes, kennis genomen hebben van de motie, door mevrouw Gi oeneweg ingediend, voelen zich gedrongen ter kennis van uw college te brengen, dat tegen de daarin neergelegde gedachte bij hen ernstige bezwaren zijn van principiëelen aard;

dat toch de gelijkstelling van de gehuwde en ongehuwde moeder bedenkelijke gevolgen met zich moet brengen;

dat zeer zeker de christelijke liefde getoond heeft uit deernis met de ongehuwde moeder deze krachtig te willen steunen, maar dat deze steun moet worden verleend krachtens barmhartigheid, welke de veroordeeling der zonde ongerept laat;

dat evenwel het scheppen van een recht voor de ongehuwde moeder tegenover den Staat moet leiden tot minachting van het huwelijk en ontwrichting van het gezinsleven;

dat eindelijk, voorzoover de overheid de gehuwde moeder steun wil verleenen, die steun veel zuiverder langs den weg der verzekering dan door middel van eene kostelooze Staatsuitkeering kan worden gebracht;

redenen, waarom zij u met aandrang verzoeken aan bovengenoemde motie uwe goedkeuring te onthouden."

Dit adres was geteekend; Namens den Ned. Christen-Vrouwenbond: M. M. Havelaar-Van Beek Calkoen, presidente, Mr. C, Frida Katz, vice-presidente, A. C. Diepenhorst-de Gaay Fortman, secretaresse.

Namens den Ned. Vrouwenbond tot verhooging van het zedelijk bewustzijn: C, J. de Bruyn Kops, waarn. presidente; J. Weerts-Druyvesteyn, secretaresse.

Namens de Vereeniging ter behartiging van de belangen der Jonge Meisjes: F. J. van Beeck Calkoen, presidente. C. M. van Asch van Wijck, secretaresse.

Wij vermelden de namen alle voluit; om de leidsters dezer ongelukkige beweging te doen kennen. Het zijn waanschijnlijk dames, waarbij de arbeidersvrouwen niets hebben in te brengen»

MIJNPOLITIEK.

Jaar op jaar heeft de Jonge gepleit van de rechten der mijnwerkers in Limburg. Wij kunnen slechts de voornaamste momenten mededeelen. 2 April 1921 interpelleerde de kath. Henri Hermans over den toestand in de mijnen, meer in 't bizonder in betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Het was naar aanleiding van de krisis in de industrie, welke ook de kolennijverheid trof, en die een loonsverlaging had uitgelokt voor de arbeiders. Hierbij wam een motie van de Jonge aan de orde, luidende:

„De Kamer, van oordeel, dat de thans gebruikelijke wijze van regeling der medezeggenschap, der rechtspositie en der arbeidsvoorwaarden van de mijnwerkers onvoldoende is en dat het gewensch is regelen daaromtrent te stellen in het Algemeen Mijnreglement," enz.

Sluiten