Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

349

DB L.O.-WBT VAN 1920

feeding van bestaande en bouw en inrichting van nieuwe lokalen ƒ 5.500.000. Daartegenover nam het Rijk de salarissen en de tegemoetkoming voor huishuur over, terwijl ook de belooning voor het geven van herhalings-onderwijs zou verVallen. Dit was een voordeel van rond ƒ 22.863.000 over 1916 gerekend. De rijksbijdrage volgens art. 48 der bestaande wet zou echter vervallen, verminderd met hetgeen hét rijk volgens de Uitkeeringswet van 1897/1905 aan de gemeenten betaalde, zoodat daarvan overbleef rond iy2 millioen; dan ging er nog af ƒ 161.571 voor de rijksbijdrage volgens art. 49 der L.O.-wet, zoodat totaal van de ƒ 22.863.000 afging ƒ 7.W9.247, en overbleef voor de gemeenten te betalen ƒ 15.193.850.

De verdeeling der uitgaven ten behoeve van het lager onderwijs tusschen het rijk en de gemeenten overeenkomstig het stelsel van het wetsontwerp zou derhalve aan de gemeenten eene verlichting van lasten brengen tot een vermoedelijk bedrag van ƒ 15.193.850 — ƒ 7.000.000 = ƒ 8.193.850 of rond ƒ 8.200.000 per jaar. Door de inmiddels plaats gehad hebbende stijging van het peil der onderwijzerswedden zou deze verlichting aanmerkelijk grooter zijn.

1 Onder lager onderwijs begrijpt deze wet • (volgens art. 2) het onderwijs in;

a. lezen; b. schrijven; c. rekenen; d. Nederlandsche taal; e. vaderlandsche geschiedenis; f. aardrijkskunde; g. kennis der natuur; h. zingen; i. teekenen; j. lichamelijke oefening; k. nuttige handwerken voor meisjes.

2. Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in;

1. Fransche taal; m. Duitsche taal; n. Engelsche taal; o. wiskunde; p. handelskennis; q. algemeene geschiedenis; r. handenarbeid; s. landbouwkunde; t. tuinbouwkunde; u. fraaie handwerken voor meisjes.

3. Onder vaderlandsche geschiedenis is mede begrepen de eenvoudigste kennis der gemeente-, provinciale'- en staatsinrichting van Nederland (en onder kennis der natuur, vermeld onder g van genoemd lid, de eenvoudigste kennis van gezondheidsleer.)

Het schoolonderwijs werd onderscheiden in a. gewoon lager onderwijs; b. vervolgonderwijs; c. uitgebreid lager onderwijs; d. buitengewoon lager onderwijs.

De salarissen der onderwijzers, zoo van belang

'voor een frisch en deugdelijk gegeven onderricht en de positie van den onderwijzer zeiven, waren als volgt in het (gewijzigd)

E ontwerp voorgesteld: De hulponderwijzeres zou genieten van ƒ 900 bij minder dan 2, ƒ 1050 bij 2—4, ƒ 1200 bij 4—6, ƒ 1350 bij 6—8, ƒ 1500 bij 8—10 en ƒ 1700 bij 10 en meer dienstjaüèn (art. 29). De onderwijzers bij den aanvang ƒ 1500, voörts ƒ 1650 bij 2—4, ƒ 1800 bij 4—6, ƒ 1950 bij 6—8, ƒ 2100 bij 8—10,

ff 2300 bij 10—13, ƒ 2450 bij 13—16, ƒ 2600 zij 16—19, ƒ 2800

Sluiten