Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POST, TELEGRAFIE EN TELEFOON

404

len bij een inkomen van ƒ5000, werd verworpen met 55 tegen 33 stemmen, voor- en tegenstemmers als zooeven. Een ^TOtfé-Oud inzake spoedige verdere herziening van de salarissen viel met 45 tegen 43 stemmen. Voor de vorigen, benevens de vrijh.bonders v. Rappard, Lely, Rink, de Groot, Buisonje, Otto en v. Doorn, en de katholieken Kuiper en Haazevoet. De tweede motie-v. d. Tempel over de gevolgen der stakingen, werd verworpen met 57 tegen 30 stemmen. Voor de sociaaldemokraten, vrijz.-demokraten, kommunisten met Kolthek, v. d. Laar en Wijk. De motie-v. Rijzewijk, luidende:

„De Kamer, kennis genomen hebbende van de verbeteringen in zake de salarieering der rijksambtenaren en werklieden, speciaal wat de gehuwden betreft,

spreekt den wensch uit, dat de regeering de terugwerkende kracht der kindertoelage zal doen ingaan op 1 Januari 1.1.;

dat de regeering in overleg met de betrokken ambtenarenorganisaties zal nagaan in hoever een wijziging in 'de samenstelling der kommissie v. georganiseerd overleg noodig is", enz. werd zonder zonder hoofd, stemming aangenomen (bl, 92 en 93).

Interpellatie-v. Stapele. — 2 April 1921 interpelleerde deze over de behandeling, het P.T.T.-personeel aangedaan, door te tornen aan het Reglement op de Dienstvoorwaarden. V. d. St. vroeg den minister:

I. Bestaat inderdaad het voornemen, bedoeld in mijn schriftelijk gestelde vragen (d.d, 8 April 1921) betrekkelijk verslechtering der arbeidsvoorwaarden van het P.T.T.-personeel?

II. Zoo ja, ware het dan niet gewenscht geweest, van dit voornemen, dat blijkens mededeelingen in de pers reeds op 9 Oktober 1920 bestond, bij de behandeling van de interpellatievan den Tempel, ter zake van de poststaking op 19 en 20 Oktober, aan de Kamer me de deeling te doen?

III. Was er geen aanleiding voor den minister vooraf het georganiseerd overleg te raadplegen?

De minister v, waterstaat antwoordde o.m. dat hij niet het voornemen had gehad om de bedoelde wijzigingen aan te brengen, maar had overwogen of er geen aanleiding bestond om den diensttijd van de bestellers, die volgens het reglement bepaald was op 48 uren per week, te verlengen en wat betreft de nachturen — 1 nachtuur staat gelijk met l'/s uur — ook wijziging te brengen in de berekening der nachturen en daarvoor in geld vergoeding te geven. Praktisch was het niet mogelijk, dat er juist 48 uren per week door de bestellers gewerkt werd."

Van Stapele was niet erg gerust en stelde de volgende motie voor:

„De Kamer, van oordeel dat verlenging van den arbeidstijd van het P.T.T.-personeel niet gewenscht is en dat ook overigens geen verslechteringen in de arbeidsvoorwaarden van dit personeel behooren te worden aangebracht)" enz.

Sluiten