Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROCESSI» VERBOD

406

veiligheid 'zou kunnen storen." Een koninklijk besluit van 23 April 1822 behelsde de bepaling, dat alleen in de gemeenten, waar zij geregeld waren gehouden, processiën waren toegelaten," De Grondwet van 1848 bevestigde de regeling van 1822 en in rechte is tot heden het verbod van processies gehandhaafd, zoodat degeen die ze houdt strafbaar is.

De Staatskommissie van 1920 stelde voor het tweede lid te lezen: „Openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen is geoorloofd, tenzij naar aanleiding daarvan gevaar bestaat voor verstoring van de openbare orde en rust."

De regeering nam dit voorstel over, doch trok het later weer in, zooals gezegd werd: omdat het geheele hoofdstuk dan herzien moest worden en de financiëele kwestie thans niet op te lossen was. De sociaaldemokraten waren van de vrijheid dezer godsdienstige optochten voorstanders (zie ook onder „Antithese".) Er is geen reden, den katholieken de vrijheid te onthouden, die socialisten, heilssoldaten en zendingsgenootschappen hebben; en als er streken mochten zijn, waar voorbijgangers gedwongen worden voor de processie eerbied te betuigen, dan moet de Strafwet daarin voorzien. Toen Troelstra dan ook in de zitting van 26 Oktober 1921 terzake van de grondwetshepj ziening over de processie-vrijheid te spreken kwam, zeide hij onder meer: iifnvtü

„Ik kan dit (n.1. het uitstel tot „gelegener tijd") niet anders beschouwen dan als een middel, om zich voorloopig van die zaak af te maken, vooral omdat, ondanks de hooggeroemde eenheid van beginsel, een deel der rechterzijde tegen den billijken eisch van het roomsen-katholieke volksdeel tot opheffing van het processie-verbod zich zoo heftig heeft verzet. De katholieken zelf moeten weten, in hoeverre zij het juist'vinden, dat de regeering voor het opgezette relletje oo den loop is gegaan. Mij komt het voor, dat de regeering gerust voet bij stuk had kunnen houden. De enghartige, bekrompen geloofshaat van die elementen ter rechterzijde, die daartegen in opstand zijn gekomen, drukt volstrekt niet uit den geest, die leeft in de groote massa van het Nederlandsche volk. Het ware beter voor de regeering geweest, in deze te vertrouwen op diegenen, die staan achter de op een na grootste partij in het parlement, dan uit den weg te gaan voor een optreden, dat ik niet zal kwalificeeren, van kleine, fanatieke groepen aan de rechterzijde (bladz. 219)."

Daarop zei de r.-k. heer Kolkman 27 Oktober:

„Wij hadden zoo gehoopt — het eerste voorstel van de regeering gaf ons daarvoor ook allen reden —, dat eindelijk de zoo hatelijke bepaling betreffende het verbod van godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen zou worden opgeheven, dat het processieverbod, om het zoo te noemen, zou Vervallen."

„De regeering had bij de eerste indiening moeten overwegen, dat er in het land méér heeren loopen, die denken als de heer

Sluiten