Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

417

SCHEEPVAART EN SCHIPPERIJ

is de kennis van het proletariaat grooter. Doch ook hier zijn dolle sprongen noodlottig voor het proletariaat zelf en in geen geval mag ooit een socialistische staat gebaseerd worden op ruw geweld, met onderdrukking van de vrijheid van woord en schrift en van vereeniging en vergadering,

i SCHEEPVAART EN SCHIPPERIJ.

Ten aanzien van de scheepvaart, zoowel die van de zee als van de binnenvaart, liet de sociaaldem. Kamerfractie zich gelden. Onder „Stoomvaartmaatschappijen" vindt men een en ander over het optreden van Heykoop in Nov. 1918. Over de „Zeeongevallen-verzekering" kan men onder „Sociale Verzekering" vinden wat op dit gebied is gedaan en nagestreefd. Het onderwijs aan schipperskinderen werd zooveel mogelijk bevorderd, men zie onder „Leerplichtwet".

22 Nov, 1918 kwam aan de orde een ontwerp, houdende bepalingen met betrekking tot de binnenscheepvaart. De bedoeling was, den minister van landbouw, nijv. en handel de bevoegdheid te geven, laadruimte te kunnen opvorderen ter leniging van den krisisnood. Een der sprekers was de Zeeuw, die 22 Nov. betoogde, dat de organisatie der schippers moest behouden blijven en ook de schippersbèurzen moesten behouden blijven. Andere sprekers wilden meer dwingend optreden om de schepen te doen bevrachten en varen. De Z. wilde de dwang niet overdrijven en de organisatie vertrouwen. Het ontwerp werd 23 Nov. '18 zonder hoofdei, stemming aangenomen. Op dezelfde wijze 5 Dec. '18 door de le Kamer aanvaard, verscheen de wet 5 Dec. 1918 in het Stbl. (no. 774).

Rugge sprak 7 Juni 1921 een woord over de binnenschipperij naar aanleiding van een begrootingspost, waarbij ƒ 200.000 werd gevraagd voor een regeling van toezicht op de schipperij, grootendeels op te brengen door retributies van de menschen zeiven. Tegen dat laatste kwam R. op, hij wilde die gelden besteden als werkloosheidsfonds.

„Wij staan in elk geval voor het feit, dat ten gevolge van omstandigheden, die de schippers niet zelf in het leven hebben geroepen, er onder hen een buitengewone werkloosheid hterscht. In de Drentsche en Groningsche venen liggen honderden schepen reeds weken en een aantal reeds maanden voor den wal. De minister zegt, dat hij geen werkgelegenheid voor hen kan scheppen, en dat is natuurlijk juist, maar de vraag is, of die menschen, die geheel buiten hun schuld in dien toestand geraakt zijn, nu geheel aan hun lot moeten worden overgelaten!

Wij hebben hier te doen met menschen, die grootendeels gelijk staan met gewone arbeiders, hun scheepjes en gereedschappen zijn slechts in enkele gevallen hun volle eigendom,"

Minister v. Usselstein zei echter, dat de nood weer wat ver-

27

Sluiten