Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPOORWEG-POLITIEK

454

Aandeelenwet (zie boven) liever wilde wachten tot de Eerste Kamer over dit voorname ontwerp beslist had, want bij aanneming zou het kunnen vervallen.

De Eerste Kamer nam 27 Juli het ontwerp aan en de wet is vastgesteld 28 Juli 1921 (Stbl. 1011).

Mr. W. A. Bonger is later in den Raad van Commissarissen benoemd geworden.

Rapport-Onregelmatigheden. — 8 Dec. 1920 werd, naar aanleiding van den slechten dienst op de spoorwegen, zonder hoofdei, stemming een motie-v. Rappard aangenomen, luidende:

„De Kamer, van oordeel, dat een grondig onderzoek door een deskundige kommissie naar de oorzaken van de vertraging in den treinenloop en andere misstanden op de Nederlandsche Spoorwegen gewenscht is", enz.

Naar aanleiding daarvan werd 29 Dec. 1920 door den min. v. waterstaat een kommissie van onderzoek ingesteld, die 14 Mei 1921 rapport uitbracht. Dat rapport was ongunstig voor het beheer der mpijen, terwijl toch door de fusie van S. S. en H. S. M. een betere organisatie had mogen worden verwacht. De heer Kalf echter is een baas-kerel, maar alleen om het personeel af te bassen. Overigens is onder zijn régime veel bedorven, vooral ten aanzien van de verstandhouding met het personeel.

Duys wees 29 Nov. '21 op den hooghartigen toon, waarop de directie in haar antwoord op bovenbedoeld rapport Nov. '21 antwoordde.

Spoor- en tramwegpersoneel. — De groote, belangrijke groep van dit personeel, bij welks behoorlijke behandeling de dienst der spoorwegen zoo betrokken is, daar een afgebeuld en slecht betaald personeel ook nadeelig is voor den dienst en de veiligheid van verkeer, is steeds de zorg geweest van de sociaaldem. fractie in de Kamer. Zoo interpelleerde 18 Februari 1919 Kleerekoper den minister van waterstaat over de door hem genomen beslissing inzake de loonregeling van het spoorwegpersoneel. Hij vergeleek de loonen met voorname plaatsen, als Zaandam, Amsterdam en elders. KI. zei o.m.:

„De minister zeide — ik had het nooit zóó cru durven zeggen) —: Er was een grondloon van ƒ 2.50, er is een kwartje opgezet, hetgeen er afgaat komt ongeveer op een kwartje néér, maar de twee weken duurtebijslag herstellen het kwartje weer zoo ongeveer. Ik zat er met verbijstering naar te luisteren. Het komt er dus op neer, dat de minister zich heeft neergelegd bij het grondloon van ƒ 2.50 en twee weken duurtebijslag geeft om te nivélleeren hetgeen verloren gaat!"

Hij stelde de volgende motie voor:

„De Kamer, van oordeel, dat het gewenscht is, aan het personeel der spoorwegmaatschappijen de „afloopende korting"

Sluiten