Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

98

wanneer wij, zooals het geval is en hieronder zal blijken, bovendien als beginsel van dit recht aannemen, dat de aard zijner objecten in meer of minder begrensden zin bepaald zal zijn, behoeven we zelfs aan bovengemaakte tegenwerping niet bloot te staan. Hetgeen niet zeggen wil dat nu de objecten eens voor altijd zijn aangewezen, maar wel dat wij het gebied zoodanig afgrenzen, dat oriƫnteering vergemakkelijkt is.

Belangrijker tegenwerping schijnt ons die, dat de voorgestelde instelling een te zeer kunstmatig karakter zou hebben. Laat ons dadelijk zeggen dat men hiervan, althans bij een zeer ruime opvatting dier idee, nooit geheel en al de juistheid betwisten kan. Misschien moeten we zelfs zeggen, dat dit argument dan een fond van juistheid bevat, omdat men bij de idee belooning van goed karakter wel direct aan iets kunstmatigs denken moet In principe is het zeer juist: het iemand toekomend recht op achting heeft men zich te veroveren, wanneer dit noodig is; door iets uiterlijks krijgt men het niet Waarbij men dan gaarne het voorbeeld van heele grooten, b.v. Shakespeare en Rembrandt aanhaalt, die heel groot geworden zijn in weerwil of misschien tengevolge van de zorgvolle omstandigheden waarin zij hebben verkeerd. Belooning zou daarentegen de karakters bederven, redeneert men. Hier staat evenwel tegenover dat men zich een totaal verkeerd en overdreven idee van het belooningsrecht zou vormen, wanneer men daarvan een directe innerlijke verbetering verwachtte." Wat innerlijke verbetering betreft, daarvan kan door de sanctie van het lofrecht slechts op indirecte wijze sprake zijn en dat wel op twee manieren: vooreerst door de- tendenz in de verre toekomst de werkelijke verdienste boven de schijnverdienste te doen stellen en vervolgens omdat zeer geleidelijk ook de predispositie langs hereditairen weg den invloed der nieuwe idee zou

Sluiten