Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

§ 5.

Rechtsgronden en beginselen.

Dat er reeds een algemeene overtuiging zou zijn omtrent de noodzakelijkheid van een lof-, belooningsrecht, zal niemand durven beweren. Evenmin is nog van eenig krachtig rechtsbewustzijn in die richting sprake. Wanneer er iets is dat daarheen wijst is het een zeer embryonnair rechtsgevoel. Voor hem die vindt dat de argumenten die zulk een recht eischen zoo solide zijn dat een evolutie zonder geleidelijke ontwikkeling van een belooningsrecht noodlottig zou kunnen zijn, kan deze omstandigheid evenwel geen bezwaar zijn zijn overtuiging uit te spreken; misschien is hij daartoe zedeMjk-maatschappehjk wel verplicht Hij vraagt zich dan af hoe de loop van zaken zijn zal voor het geval dit thans nog embryonnaire gevoel zich zou voortontwikkelen, hoe men daaruit een groei in de beste richting zou kunnen bevorderen en welke de rol van de overheid in deze materie zou moeten zijn.

Nu bestaat zonder twijfel het gevaar dat dreigt wanneer de verdedigde instelling zal blijven ontbreken vooreerst in het conflict tusschen het menschelijk geweten, het wereldgeweten en de werkelijkheid der machtsmoraal, hierboven geschetst in de weinig bevredigde behoefte van een collectieve emotie voor het ideëele. Alleen door het ontstaan van een prikkel, die deze emotie tot haar recht doet komen, zou dit gevaar kunnen verdwijnen. Prikkel, die, hoewel hier en daar in minder volmaakten zin voorkomende in de rechtshistorie en in het sociale leven van onzen tijd, in het huidige rechtssysteem zoo goed als geheel ontbreekt absoluut niet wordt aangeprezen door een der leidende richtingen van onze cultuurperiode en daardoor als

Sluiten