Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

AMAZONE.

— O, ik heb al tal van nieuwe kennissen gemaakt; maar ik vind het zoo verwarrend, als men zoo van den eene op den andere wordt voorgesteld, en ik vergeet zoo spoedig de namen. Vertel mij eens wie is die jonge man ook weer, met dien zwarten knevel en die buitengewoon schitterende oogen, daar.

— Die? dat is Askol. Kent gij zijn werk niet? Hij kent uwe schilderijen wel. Hij is onze beeldhouwer, een talent, een groot talent; hij is een Amerikaan, maar woont sinds eenige jaren in Rome. Gij moet hem leeren kennen; wij houden veel van hem; een artist in zijn hart.

— Maar wie is die lange schrale geestelijke toch met wien uw oom zit te praten?

— Die? Hoe ziet gij hem zoo verbaasd aan?

— Ja, wel verbaasd; verbeeld u, dat moet ik u eens vertellen. Ik was laatst in de Maria sopra Minerva en toen ik de deur wilde uitgaan, keerde ik om, want ik wilde nog even het grafteeken van de Tucciae bezien, waarvan de bizonder fijne renaissance mij onder de vele meer baroque zaken trof; — daar in den hoek bij de deur vond ik een priester, een man met grijze haren en nog al deftig voorkomen, die naar mij toeging en iets prevelde. Ik meende wel te verstaan, maar dorst mijne ooren niet gelooven:

toen herhaalde hij zijn verzoek en raad eens

hij vroeg mij wat geld voor een paar nieuwe schoenen! Ik was er zoo van beschaamd, dat ik met een beleef d schouderophalen, alsof ik hem niet verstond, maar maakte dat ik weg kwam. En dat is hij!

Sluiten