Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66

AMAZONE.

— Florence, spreek mij daar niet van; ik woonde er in een nauwe straat vol vieze geuren en onmuzikale geluiden van courantenjongens; ik dwaalde door de museums zonder iets van die kunst te begrijpen, en al die heiligen en madonna's ... en in mijne woning ook niets dan heilige Engelsche dames. Eens ontmoette ik geëmancipeerde dames, dat is nog erger, zij zijn ruw, niet welopgevoed; soms niet kwaad, maar onvrouwelijk, niets zachts, niets liefelijks. Zij waren allen knap in weten.

— Maar de verfijnende kunst ontbrak haar ....

— Kunst, — ik weet het niet; hoe verkrijgt men kunst; ik begrijp te weinig van al die kunst.

— Ik bedoel geen kunstwerken, maar het aesthetische dat er ligt in verfijning van geest en toon. Dat kent gij volkomen, en gij houdt toch van poëzie en muziek.

— Toen ik een kind was, zeide zij, want altijd was dat het punt waartoe hare gedachten wederkeerden, — toen bad ik: Lieve Heer, geef mij toch levenslang een tuintje om bloemen te kweeken, een eigen haardje met een poes en een piano om mijn Mendelssohnt jes bij te zingen; maar mijn bede is niet verhoord. — Ik ben gaan reizen om eene ruimere lucht in te ademen en een wijdere omgeving te hebben, maar — ik vond dat nergens.

Aisma was meermalen getroffen geweest door hare gaaf van opmerken en met kleine, vaak dichterlijke trekken, de zaken te teekenen. Nu zeide hij op eens:

Sluiten