Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

119

— En?

— Nu eischen zij weer op eens dat ik bij haar terugkeer, dat ik mijn schandelijk leven vaarwel zeg, en ... en ....

— En mijn omgang vermij d .

— Hoe weet gij het?

— Dat is niet moeilijk te raden. En wat wilt gij doen?

— Och, dat is het wat mij zoo verbijstert, — ik ben van haar afhankelijk.

— Dat wil zeggen, dat gij u afhankelijk laat houden; als Jezuïten hebben zij uw wil in de jeugd gedood.

— Nu ja, — het zijn toch mijne naaste bloedverwanten — ik ben te zwak misschien, maar ik kan niet anders. Maar u verloochenen, dat doe ik niet.

— Zoo, zei Marciana, met toorn over de wenkbrauwen en lippen, dat was het dus weer; maar nu niet meer daarover, wij spreken er over als gij beter zijt.

Eene poos bleef zij nu over onverschillige dingen praten, zonder veel te spreken en alleen om andere gedachten bij haar te wekken. Toen kuste zij haar en zeide:

— Poor dear, ik kom gauw terug, ga nu rustig liggen.

Marciana ging naar huis en vertelde hare bevinding aan den heer van Walborch. Hij had zich in zijn goed hart het lot van Ada, zoo lang zij in Rome met hen

Sluiten