Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

181

mede en niet minder verkwikt u des dichters zelfbeheerschende geest en blijde levensmoed.

— Hier zit ik, zoo rezen van Walborchs gedachten, een van die „ruwe barbaren", zoo als gij zegt, „die het barre Germania teelde". Ha! en die thans door den geest van uw volk, en door uw zangen, in uw urbanitas zijn opgevoed. Vriend Aisma, dweep met uw Grieken, de Romeinen zijn moderner en ons nader, van hun geest hebben wij al onze beschaving.

Aisma, en Marciana, — zijne gedachten dwaalden toen naar die zijde. Zijn hart kon niet nalaten toe te geven aan die vreugde des oudere, van het leven en het geluk der jongeren op te bouwen en soms met elkander te verbinden. Men wenscht dan niet voor zich zeiven maar voor de jongeren die men lief heeft.

Nauw durfde hij dat verschiet zich droomen, toch kon hij het niet nalaten. Marciana was zijn afgod; voor Aisma had hij eene innige genegenheid, om zijn karakter en talent, ook tot dezen trok hem dat onnaspeurbare fluidum dat menschen vereenigt. Haar wilde hij gelukkig zien en hem ook, en hij wist waar de weg lag. Maar als hij aan beider karakter dacht, zag hij niet hoe zij zou buigen, noch hoe hij zou buigen; zij waren beide halsstarrig. Dat zij voor elkander niet onverschillig waren, bespeurde hij wel, maar ook dat Marciana onverzettelijk was als eene rots en dat Aisma alles deed om niet te zwichten. Maar de man geeft minder bezwaar; de man buigt eerder; er komt een oogenblik dat het hem te machtig wordt; de vrouw heeft meer middelen van weer-

Sluiten