Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

221

zijne hand die een hoefijzer kon krommen, is zoo teer, zoo buigzaam als een veertje, maar zij is ook muurvast. Zie zijne kopjes in de Uffizi, in den Louvre; en hoe zijn die gemodeleerd, metmysterieuse schaduwen en den even mysterieusen glimlach. . . .!

— Dien glimlach, zei van Walborch, die Af roditè aan Vinci's vrouwen leerde, de glimlachlievende Filomeidès.

— Op die stoffelijke uitvoering moet gij aandachtig zijn, haar leeren begrijpen en voelen. Zoo is het ook in de schilderijen, maar in wij deren zin. Bij de frescoschilders moet gij meer op de groote wijze van doen letten; op de vastheid, den adel waarmede zij de natuur verheffen, op de lijnenharmonie, de keus van kleuren, de schikking, al hun oneindige kennis en macht. Dat alles resumeert zich in drie groote typen: Da Vinei met zijne mystische aantrekkelijkheid, soms bezijden het gebied van het strikt schoone, met zijn gevoeligheid van doen. Rafaël met zijne goddelijke bevalligheid, altijd hoog, altijd edel, helder en licht, met zijn ambrosische kalmte en blijmoedigheid. Michelangelo met zijn bovenaardsche reuzen en zijn terribilita.

— Morgen, zei Marciana opgewonden, — morgen gaan wij naar het Vaticaan, hè? Rafaël zien en Michelangelo.

— Gaarne, — maar — pas op, gij moet ze eigenlijk niét te zamen zien, én niet vergelijken.

— Hoe zoo?

— Omdat gij in de war zoudt geraken; maar ik kan

Sluiten