Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

281

Gij hebt mij terstond aangetrokken, maar ik was bang om mij zelve te verliezen en ik dacht, laat ik naast hem blijven, maar onafhankelijk. Ik had al vroeg geleerd in leed mij nog vreugde te scheppen, aan geen Magen toe te geven; niet uit deemoed maar uit hoogmoed. Mijne ziel was oud geworden — maar mijn hart was nog jong zoo jong als een jonge zwaluw, die haar eersten tocht maakt over de groote wijde zee. Allengs heeft uw beeld zich meer en meer in mijne gedachten ingeweven. Als ik alleen was en ik overpeinsde dat mijn wezen uwe gedachten vervulde, als ik met gloeiende wangen daaraan dacht, voelde ik dat uwe liefde zich had medegedeeld en ik lief had zoo als nooit te voren Ik meende, laat het zieleneenheid blijven, maar ik ontwaarde wel, het was meer, het was het groote, hooge waarvan ik eenmaal gedroomd had. Mijne droomen van dat groote hooge gevoel, van een dubbelleven, dieper en rijker dan het enkele, al die illusies zonder naam, aandoeningen en wenschen zonder vorm, zij herleefden en namen bepaaldere gedachten aan. Nu geloof ik; ik geloof aan hun bestaan; ik weet. Oij hebt mij weer gewekt tot een hooger, grooter leven, ik ben uw schepsel geworden, uw eigen geheel En gij'wildet heengaan? Ach, ge wist ook wel dat scheidmg voor ons verdorring was. 0 het beloofde land van Mozes, dat spookte in mijn hoofd. Vroeger had ik dat in dicht willen brengen, het is zoo schoon; zijn God was genadig dat hïjMozes liet sterven, als hij dat land toch niet mocht genaken

Sluiten