Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25

De deugd zelf is als de bergtop, dien men zien kan vanuit het dal. Men kan hem bewonderen als de zon bem verguldt. Men kan met een sterken kijker hem dichtbij halen, zoodat de distantie krimpt. Maar om er te komen, — daar boven! — moet de beschouwer een wandelaar, een klimmer, een worstelaar, worden. En om de vermoeienissen van een bergtoer te trotseeren is noodig de sterke wil, de energie der volharding en een gezond organisme.

Neen waarlijk, men is nog niet eens goed begonnen op den weg der deugd, wanneer men alleen verheven gedachten of klare inzichten heeft inzake het wezen van het goede.

Noodig is inzonderheid een geoefende, gedisciplineerde wil. Idealen zijn er om bereikt en belééfd te worden.

Tenslotte is voor Sokrates de deugd toch eigenlijk een uitwendig ding, iets [dat men leeren kan, op de manier als een kind op school lezen, schrijven en rekenen, leert.

Hij heeft het nieuwe probleem der deugd gesteld, maar nieuwe wegen, die tot oplossing kunnen voeren, heeft hij niet ontdekt. Hij heeft niet verstaan, dat deugd een vrucht is van langen, innerlijken, zwoegarbeid, het resultaat van een heeten strijd met de aangeboren, grove, instinkten.

Eeuwen van de bitterste ervaringen waren zelfs onvoldoende, om den mensch deze waarheid grondig te leeren verstaan.

Maar als „een licht in een duistere plaats" scheen het licht van Gods Woord. De apostel had het geheim dóórvorscht, en getuigde van zijn bevinding aldus: „Ik heb een vermaak naar den inwendigen mensch in de wet Gods; maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijd tegen de wet mijns gemoeds".

Héél het leven, de geheele kuituur, der antieke wereld was, in overeenstemming met de genoemde orienteering naar het uitwendige, ook 'uitwendig bepaald en geordend. In Griekenland en Rome, de groote dragers der oude beschaving, interes-

Sluiten