Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

Nikodemus was een overste der Joden, iemand uit den z.g. hoogeren stand, een „ontwikkeld" mensch, een vooraanstaand

man in de kerk.

Hij kwam des nachts (want hij was bang voor „de publieke opinie") tot Jezus en vroeg: „Rabbi, wij weten, dat gij zijt een leeraar van Qod gekomen, want niemand kan de teekenen doen, die gij doet, zoo God niet met hem is".

lezus antwoordde: „Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, tenzij dat iemand wedergeboren worde, hij kan het koninkrijk Gods

niet zien". , .

Wanneer wij ons dit gesprek goed indenken, en den zin van Nikodemus' woorden kombineeren met het antwoord van lezus - dan zien wij, dat Jezus aan Nikodemus niet een recht'streeksch antwoord geeft, dat hij op den gedachtengang van dezen IsraSlietischen dominé niet eens ingaat, maar dezen veeleer afbreekt en het gesprek met een krachtige wending in een andere richting stuurt. . , „ ,

Nikodemus komt met de betuiging: ofschoon mijne kollega s, de Farizeërs, u haten en zich verzetten tegen uw prediking, zoo kan ik niet nalaten u als een goddelijk leeraar te erkennen. Uwe teekenen zijn voor mij het bewijs, dat gij door God gezonden zijt. Ik ben geestelijk aan u verwant, ik ben uw discipel, en kom u dit verzekeren. —

Jezus onderbreekt hem echter en geeft hem te verstaan: Als gij zóó oordeelt, kan ik u niet als mijn discipel erkennen. Gij hebt teekenen gezien, en zijt daarover verrukt, maar hebt ge ook den diepen zin mijner prediking gevat, - hebt gij verstaan mijn oproep voor de stichting van het rijk Gods, is uw ziel bewogen van vreugde voor het hemelsch ideaal van liefde en waarheid? Zijt gij ontstoken van geestdriftige bereidwilligheid om alles op te geven, uw allerliefste begeerten, zelfs de hechtste banden des bloeds, om te komen tot verwerkelijking van mijn idee van het Godsrijk? Beleeft gij ook

Sluiten