Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

de geestelijke natuur verandert, — wanneer het niet voor hem wordt een bron van levenskracht, — dan is voor zulk een mensch het rijk Gods nog niet gekomen.

Voor het rijk Gods isgrooter gewin de intocht van een berouwhebbenden misdadiger en van een weenenden zondaar, dan van negenennegentig majestueuze rechtvaardigen, die zich gelukkig voelen op den „top der deugd". In zulke „braven" is feitelijk de ontwikkelingsstroom des levens gestremd, gestorven, verzand.

In den berouwhebbende echter is de, door zondige hartstochten verstopte, bron des levens weer geopend, en opeens breekt de volle stroom los, wegspoelende de jarenlang opgehoopte geestelijke onreinheid.

Het evangelie is karig in woorden waar het betreft bijzonderheden, die niet direkt met het werk van Jezus in verband staan, maar ook de enkele trekken, die wij vinden in de gelijkenis van den berouwvollen tollenaar, zijn voldoende om het beeld, de daad, der groote geestelijke wedergeboorte levendig voor oogen te stellen.

Dit zijn de twee „vertegenwoordigers der menschheid"

de Farizeër en de tollenaar 1 Hier hebt ge de tweeërlei wereldbeschouwing, het tweeërlei menschentype, waarin men de gansche menschheid verdeelen kan.

De Farizeër is de man wiens daden deugden zijn, en die voor elke fout een excuus heeft, — hij is de mensch, die aan zijn ik-god zelfs den godsdienst onderwerpt, en die niet anders kén en dóet, — omdat zijn ik het allervoornaamste en gewichtigste wezen is in het heelal, — dan allen rondom zijn persoon concentreeren.

De man heeft zijn doel bereikt. Zijn poover zedelijk religieus ideaal is verwerkelijkt. Hij is vrij goed tevreden met zichzelf. Waarom zou hij verder voortschrijden? Hij is verstard in onbewegelijkheid. Hij lééft niet, hij bestaat alleen. Deze man heeft niets te maken met het rijk Gods.

Sluiten