Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140

eeuwige, ondoofbare, licht straalde voor den christen van den hemel, zonder dit aardsche jammerdal in al zijn schaduwhoeken om te tooveren tot een paradijs. Juist dit schitterend licht maakte de tegenstelling met de armoede van deze zondige wereld scherper. Vandaar de ascetische idealen in het eerste tijdperk van het christendom, en het godsdienstig rigorisme in de middeleeuwen. De vreugde in God was nooit een echte vreugde in het leven."

En bij dezen zelfden schrijver lezen wij een paar bladzijden verder: „De eerste eeuwen van het christendom, en ook de tijd der hervorming, kenmerkten zich door een sterke ontwikkeling van de pessimistische richting. De vrees voor het booze der wereld was toentertijd zóó groot onder de menschen, en het gevoel van eigen zondigheid zóó sterk, dat alle vreugden des levens, — zelfs de onschuldigste genietingen, — waardeloos waren geworden. De mensch zag, in zijn hulpeloosheid en ellendigheid, op het aardsche bestaan niet als op een doel, maar op een overgangsperiode naar een ander, hemelsch, zalig, leven. In het schouwen op de eeuwige dingen verzonk zoowel de beteekenis als' de bekoring van de voorbijgaande, aardsche, existentie."

Een zoodanig oordeel over het karakter van het christendom is echter principieel onjuist.

Een zuivere beoordeeling van het evangelie brengt ons tot de overtuiging, dat er onder alle wijsgeerige en godsdienstige systemen niet één is, dat zulk een levensvreugde biedt als het christendom.

De prediking van Jezus begint en eindigt met het noodigen van bezwaarde en bedroefde zielen tot de vreugde van den vrede.

Bij de instelling van het avondmaal vat hij al zijne leering van drie jaren samen in dit ééne: „Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde."

Sluiten