Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOETEGANG

Het belken klept de kerstenrij

Uit held're verten naderbij...

Aan 't altaar is 't zoo vroom en stil

Bij 't kindeke en de vrouwe zoet;

En 't kleen bescheiden keerske brandt

Zijn wond'ren, zacht- zachtblauwen gloed...

Aan 't altaar heerscht zoo hooge rust

Die 's werelds wee al overwaakt

En staeg de wonde voeten kust

Van Christus, nederig en naakt.

Daar ruischt een volte in de poort Die aan Maria's ruste stoort... Een weelderige kleurenvloed Golft door Gods heilig bruidsvertrek En purper en sameet beschaamt Het kindeke in zijn poover dek. 't Is of het kleine keersken bangt, Van schitteringen overblaakt, Of armer aan het kruishout hangt De Christus, nederig en naakt.

Gaat zoo de ootmoedigheid ten zoen Om donk're zonden af te doen? Zoekt zoo de ziel de ijle sfeer Der godd'lijkheden, overberst Van pronkselen en wereldpraal Die loodzwaar, op de vlerken perst? Hij zwerft wel ver van 't vrome land Die goudswaar ter ontferming naakt! Hoe luttel weegt de lendenband Van Christus, nederig en naakt!...

77

Sluiten