Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BLINDE DICHTER

Aan W. L. Penning Jr. op zijn zeventigsten jaardag,

10 November igio.

Altijd zal ik uw blinde beeld bewaren, Jeugdige grijsaard, die mijn oude jeugd Met uwe teng're sterkte hebt verheugd

En met uw rust mijne onrust deedt bedaren.

Een fijne blos verjongde uw strakke kaak, Uw maag're roode hand koelde in de mijne; Toen, frisch als blos en vingerdruk, ging schijnen

't Licht uwer vroolijke en vrome spraak.

Wij zaten, vreemden, en alleen zaagt gij Mijn stem, die schromend tot u uit kwam breken; Maar 't gloorde als een herkennen door ons spreken

En, o schoone ochtend ! vrienden, scheidden wij!

Doch 't allerschoonst zal mij d'erinn'ring blijven, Hoe, blinde, gij mij vóórgingt naar beneên, De armen los neerhangend langs u heen,

Geheven 't blinde hoofd, rechtop van lijve!

Zoo schreedt gij onbezorgd de steilte omlaag, Gansch aarzelloos en zonder steun noch tasten. Zoo schrijdt uw ziel met hare zware lasten

Stil door den schemer tot de laatste Vraag.

Gij scheent m'een Wonder, oude, blinde Vriend, Als die het vuur doorwaadden zonder vreezen, Naar wij het in de Heiige Boeken lezen;

Gij waart m'een Teeken: fk was blind, gij ziend 1

Zóó worde uw beeld een voor-beeld den vervaarden, Die, ziende, deinzen voor huns levens graf: — De blinde Dichter, gaand de treden af

Met kalm gelaat, waarlangs het zonlicht klaarde...

97

Verzen

7

Sluiten