Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja wij moeten tevreden zijn, zooals zij 't schikken," zei ze; „wij danken God iederen dag, dat onze dochter zoo goed bezorgd is."

„Moeder hoefde zich zooveel moeite niet te geven," dacht Ingmar Ingmarsen, „want er is niemand hier op de hoeve, die wegrijdt om Brita te zien. Zij had niet zoo bang voor de eerepoort hoeven te wezen; dat zijn maar van die dingen, die een man doet om tot onze Lieve Heer te kunnen zeggen: „Ik wilde wel. Je kunt zien, dat ik van plan was het te doen." Maar het wezenlijk te doen — dat is heel wat anders."

„Den laatsten keer, dat ik Brita zag," ging Kaïsa voort, „was het midden in den winter, toen er hooge sneeuw lag. Ik liep langs een smal pad, midden in 't woest bosch en 't loopen was moeielijk, want het was begonnen te dooien en de sneeuw gleed uit onder je voeten. Toen zag ik iemand, die op de sneeuw zat te rusten en toen ik dichter bij kwam, herkende ik Brita.

„Loop je hier alleen in 't bosch?" zei ik tot haar.

„Ja, ik ben uit om een eindje te loopen."

Toen bleef ik staan en zag haar aan; ik kon niet begrijpen, wat ze daar te maken had.

„Ik loop te zoeken of er hier niet enkele steile bergen zijn." zei Brita toen.

„Maar, lieve Hemel! is dat om er af te springen?" zei ik, want ze zag er uit als een die 't leven moe is.

„Ja," zei ze, „ik zou wel naar beneden willen springen, als ik maar een berg kon vinden, die hoog en steil genoeg was."

„Je moest je schamen! en dat zooals jij 't hebt."

„Ja, zie je Kaïsa, ik word slecht."

„Ja, dat geloof ik ook."

„Ik zal nog eens groot kwaad doen. 't Was dus maar beter dat ik stierf." „Wat een onzin, kind!"

„Ja, ik werd slecht, toen ik hierheen kwam." Zij kwam op mij toe met groote, woeste oogen, en zei: „Ze denken er alleen maar over hoe ze mij plagen kunnen, en ik denk aan niets anders dan hoe ik hen zal plagen."

„Ach neen, Brita, 't zijn goede menschen."

„Neen, ze denken er alleen over hoe ze me te schande kunnen maken."

„Heb je ze dat gezegd?"

„Ik spreek nooit met hen, ik bedenk maar hoe ik hun kwaad kan doen. 'k Heb al gedacht, of ik de hoeve niet in brand kon steken, want ik weet, dat hij veel van 't huis houdt. Of dat ik de koeien vergif geven zal; ze zijn zoo leelijk en oud en wit om de oogen, alsof ze familie van hem zijn."

15

Sluiten