Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu bluf jullie allen hier," zei ze. „Niemand hoeft op te staan van tafel."

De oude vrouw ging zwaar en langzaam naar de deur. Die haar nakeken, merkten op, dat ze, als om haar waardigheid te verhoogen, haar feestkleeren aanhad, de zijden sjaal over de schouders en den zijden doek over 't hoofd. Ze stond al aan de groote deur, toen 't paard stilhield.

Ingmar sprong vlug uit, maar Brita bleef zitten; hij ging naar den kant waar ze zat, en knoopte den voetenzak los. „Wil je er niet uitkomen?"

„Neen, dat doe ik niet." Ze was in schreien uitgebarsten en hield de handen voor 't gezicht. „Ik had nooit terug moeten komen," snikte ze.

„Toe, kom er nu uit."

„Laat me weer naar de stad terugrijden, ik ben niet goed genoeg voor je."

Misschien dacht Ingmar, dat ze daar gelijk aan had. Hu zei niets, maar bleef staan wachten met de hand aan den voetenzak.

„Wat zegt ze?" vroeg Moeder Marta, die nog in de deur stond.

,,Ze zegt, dat ze niet goed genoeg voor ons is," zei Ingmar, want Brita kon niet verstaanbaar spreken door 't schreien.

„En waarom schreit ze?" vroeg de oude.

„Omdat ik zulk een arme zondares ben," zei Brita en drukte de handen tegen 't hart. 't Was haar alsof dat zou breken van smart.

„Wat?" vroeg de oude.

„Omdat ze zulk een arme zondares is," herhaalde Ingmar.

Toen Brita hem haar woorden hoorde nazeggen met een koele, onverschillige stem, werd haar opeens de waarheid duidelijk. Neen, nooit zou hij daar zoo hebben kunnen staan, en de woorden voor zijn moeder herhalen, als hij van haar gehouden had, als hij maar een vonkje liefde voor haar voelde. Nu hoefde ze nergens meer over te denken; nu wist ze wat ze weten moest.

„Waarom komt ze er niet uit?" vroeg de oude.

Brita hield met moeite haar snikken in en ze zei luid: „Omdat ik Ingmar niet in 't ongeluk brengen wil." '

„Ik vind, dat ze gelijk heeft," zei de moeder. „Laat haar heengaan, Kleine Ingmar. Dit moet je ten minste weten, dat ik anders ga. Ik slaap geen nacht onder één dak met zoo een."

„In Godsnaam, laat ons heengaan," jammerde Brita.

Ingmar vloekte, liet het paard keeren en sprong in den wagen. Alles stond hem tegen. Hij had geen lust den strijd langer door te zetten.

Toen zij op den weg kwamen, stroomden hun de kerkgangers tegemoet. Dat hinderde Ingmar en hij reed plotseling een kleinen boschweg in, die tot kort geleden nog rijweg geweest was. Die

22

Sluiten