Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik denk eraan hoe we uit de kerk gevlucht zijn, en van Ingmarshoeve wegreden." „En daar lach je om?"

„Moet ik daar niet om lachen? We zullen wel als schooiers op straat moeten zitten. Dat moest Vader zien."

„Ja, nu lach je er om, vandaag! Maar 't gaat niet, Ingmar, 't gaat niet. En 't is alles mijn schuld."

„Ik geloof wel, dat 't gaat," zei hij, „want nu geef ik geen steek om iemand, behalve om jou."

Brita was op 't punt van te schreien uit angst; maar hij liet haar telkens weer vertellen, hoe ze aan hem gedacht en naar hem verlangd had. En langzamerhand werd hij rustig als een kind, dat naar een wiegeliedje luistert, 't Was alles zoo heel anders, dan Brita zich had voorgesteld. Ze had gedacht, dat als ze hem ontmoette, nadat ze vrijgekomen was, ze dadelijk over haar misdaad zou spreken, en hoe 't haar drukte, dat ze zooveel slechts in zich omdroeg. Ze had hem, of zijn moeder, of wie ook gekomen was, willen zeggen, dat ze wist hoe diep ze beneden hen allen stond, en dat ze nooit moesten meenen, dat ze zich als huns gelijke rekende. Maar niets van dat alles kon ze hem zeggen.

Toen viel hij haar in de rede en zei heel zacht: „Er is iets, waar je met mij over spreken wilt." Ze antwoordde: „Ja, dat is zoo." „Je denkt er aldoor aan." „Dag en nacht."

„En dat gaat je door alles heen." „Ja, dat doet het."

„Spreek er dan nu over; dan kunnen we 't samen dragen." Hij zat naar haar oogen te kijken, die zoo schuw en wild waren. Ze werd rustiger toen ze alles had uitgesproken. „Nu heb je 't beter," zei hij toen.

,,'t Is, alsof 't van me is weggenomen," antwoordde ze. „Dat is, omdat we 't nu samen dragen. En nu wil je misschien niet weggaan?" „Och, nu zou ik wel willen blijven," zei ze en vouwde de handen. „Dan moeten we naar huis," zei Ingmar en stond op. „Neen, dat durf ik niet," zei Brita.

„Moeder is zoo erg niet," zei Ingmar, „als ze maar ziet, dat je weet, wat je wilt."

„Neen, nooit wil ik haar uit haar huis verdrijven, ik weet er niets anders op, dan dat ik maar naar Amerika ga."

„Ik zal je wat zeggen," zei Ingmar en lachte geheimzinnig. „Je hoeft niet bang te wezen. Er is iemand, die ons helpt."

„Wie is dat?"

26

Sluiten