Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was een scherpe wind. Lapjes, stukjes papier en dorre grassprietjes stoven rond op de velden. In de verte boven den berg stond de damp van smeltende sneeuw, de berken werden bruin aan den top, maar langs den rand van 't bosch lag nog een hooge sneeuwstreep. 't Zou nu wel gauw lente worden en Karin voelde zich meer vermoeid dan ooit, toen zij daaraan dacht.

Zij meende, dat ze 't nog een zomer niet zou kunnen uithouden.

Ze dacht aan alle drukte van 't voorjaar: aan 't ploegen en zaaien, 't bakken en wasschen, 't weven en naaien, 't Was haar niet mogelijk door dat alles heen te komen.

„En ik zou zoo best kunnen sterven," zei ze zacht. „Mij dunkt, mijn leven is nergens anders nut voor dan om Eljas te verhinderen zich dood te drinken."

Plotseling zag Karin op, alsof ze iemand haar had hooren roepen. Voor haar stond Halfvor Halfvorsen; hij leunde tegen 't tuinhek en zag haar aan.

Karin wist niet hoe hij daar gekomen was. Het scheen of Halfvor daar al een heele poos gestaan had.

„Ik dacht wel, dat ik je hier zou vinden," zei Halfvor.

„Zoo, dacht je dat?"

„Ik herinnerde me nog van vroeger, dat je gewoonlijk hierheen sloop als je een vrij uurtje hadt, om te zitten treuren."

„Ik had toen niet veel om over te treuren."

,,'t Verdriet dat je niet hadt, verbeeldde je je te hebben."

Toen Karin Halfvor aanzag, meende ze, dat hij 't heel dom van haar moest vinden, dat ze niet met hem getrouwd was, zulk een fier en knap man als hij was. „Nu gaat 't me zooals hij 't hebben wou," dacht ze, „nu komt hij den draak met me steken."

„Ik ben binnen geweest en heb met Eljas gesproken," zei Halfvor. „Ik wou hem eigenlijk spreken."

Karin antwoordde niet; ze zat recht en stijf, met de oogen neergeslagen, de handen over elkaar, en wachtte op al den smaad, dien Halfvor nu op haar hoofd zou doen neerdalen.

„Ik zei tegen hem," ging Halfvor voort, „dat ik 't voelde alsof ik mee schuld aan zijn ongeluk had, omdat hij bij mij aan huis gekwetst werd."

Halfvor hield even op, alsof hij verwachtte, dat ze een teeken van goed- of afkeuring geven zou, maar Karin zat daar zwijgend. „Daarom vroeg ik hem," ging Halfvor voort, „of hij nu niet een poos bij mij zou willen logeeren. Daar zou hij meer beweging om zich heen hebben en meer menschen spreken dan hier."

Nu sloeg Karin de oogen op, maar nog altijd zat ze onbeweeglijk.

„We hebben 't nu zoo afgesproken," zei Halfvor, „dat je hem morgen met den wagen naar mij zoudt laten brengen. Ik weet, dat hij meegaat, omdat hij meent bij mij wel aan brandewijn te zullen

53

Sluiten