Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij betreft, ik zou in 't eeuwige leven niets beters begeeren, dan aldoor in een katheder te staan en verstandige, gehoorzame kinderen te onderwijzen. En als dan onze lieve Heer nu en dan eens naar me kwam luisteren, zooals de predikant vandaag, dan zou niemand in den hemel vergenoegder kunnen zyn dan ik."

Maar de predikant werd opmerkzaam toen hy hoorde, dat er sprake was van Jeruzalem en opnieuw kwam een wonderlijk voorgevoel bij hem op.

Midden onder de voordracht ging de deur open en een menigte menschen kwam binnen, 't Waren ongeveer twintig personen, die aan den ingang bleven staan om niemand te stpren. „Ziezoo," dacht de predikant, „ik wist wel, dat er iets gebeuren zou."

Nauwelijks had Storm: „Amen" gezegd of een stem, die van de groep bij de deur kwam, viel in: „Ik zou vriendelijk willen verzoeken of ik een paar woorden zeggen mocht."

't Was de innemendste en zachtste stem, die men zich denken kon.

„Dat moet Hök Matts Erikson zyn," dacht de predikant, en velen met hem. „Niemand in de heele gemeente heeft zoo'n lieve kinderstem."

't Volgend oogenblik drong een kleine man, met een innemend gezicht, zich door de menschen heen tot de estrade, en achter hem kwam een groepje mannen en vrouwen, die met hem schenen te gaan om hem te steunen en aan te moedigen.

De predikant, de schoolmeester en al de toehoorders waren ademloos stil. „Hök Matts komt om ons een groot ongeluk te vertellen," dachten ze. „Of de koning is dood, óf er is oorlog, óf ook er zijn een paar arme menschen in de beek geloopen en verdronken."

Maar Hök Matts zag er toch niet uit, alsof hij een droevige boodschap te brengen had. Hij scheen plechtig gestemd en bewogen, maar toch zoo blij, dat hij bijna niet laten kon te glimlachen.

„Ik wil Meester en de gemeente zeggen," zei hij, „dat verleden Zondag, terwijl ik in myn kamer zat met mijn volk, de geest over mij kwam, zoodat ik begon te prediken. We konden om de gladde wegen niet hierheen komen om Storm te hooren en nu zaten wij te verlangen naar Gods woord. En toen kwam het over mij, dat ik zelf moest spreken. Nu heb ik twee Zondagen gepreekt en nu hebben ze thuis gezegd en mijn buren ook, dat ik hierheen moest gaan en me door allen laten hooren."

Hök Matts zei verder, dat hij er verbaasd over was, dat de gave van prediken was neergedaald op een zoo eenvoudig man als hij was. „Maar Meester zelf is ook niet meer dan een boer," zei hij trouwhartig.

Na deze inleiding vouwde Hök Matts de handen en .zou be-

62

Sluiten